5

De Cock wees naar het lijk op de vloer.

'Wel Bram, wat denk je van onze harlekijn?'

Bram van Hessen, de wat oubollige politiefotograaf, plooide zijn dikke lippen tot een grijns.

'Hij ligt er mooi bij. Een harlekijn,' hij grinnikte, 'ja, je hebt gelijk, daar lijkt het op. Het is precies zo'n trekpoppetje. Als je het mij vraagt is hij daar met opzet zo neergelegd. Dat is zo toch geen natuurlijke houding?'

De Cock kauwde op zijn onderlip.

'Heb je dit wel eens meer gezien?'

Bram schudde het hoofd.

'Nee, ik heb in mijn leven toch al heel wat slachtoffers van moordaanslagen gefotografeerd, maar ik heb nog nooit een lijk in zo'n houding aangetroffen. Dit is bepaald vreemd.' Hij liep behoedzaam om het lichaam heen. 'Waaraan is hij feitelijk gestorven?' De Cock wees naar de hockeystick.

'Dat is vrijwel zeker het moordwapen, een vermoedelijk met lood verzwaarde hockeystick. Met dat ding is zijn schedel ingeslagen. Kijk maar naar het linkeroor, dat bloed, dat duidt in ieder geval op een schedelbasisfractuur. Ik heb het lichaam nog niet verder kunnen bekijken. Het wachten is op dokter Rusteloos. Hij zal al wel onderweg zijn. Misschien kan hij mij ook nog iets zeggen over die gekke harlekijnhouding. Het intrigeert me.' Bram knikte.

'Ja, het is echt vreemd. Zoals ik je al zei ben ik het nog nooit tegengekomen.' Hij riep naar Kreuger: 'Jij Bert, heb jij wel eens zoiets gezien?'

Kreuger schudde mistroostig het sombere hoofd.

'Nee,' zei hij bedroefd, 'het is een nieuwtje, wees er blij mee.'

Bram maakte een grimas tegen De Cock.

'En daar trek ik nu al zoveel jaren mee op.' Het klonk als een jammerklacht. Hij pakte zuchtend zijn fraaie Hasselblad uit zijn tas en begon de gebruikelijke platen te schieten, overzichtfoto's, details, close-up. Bram hanteerde zijn toestel met meesterschap. Hij was een artiest, verdwaald bij de politie. Kreuger was snel klaar met het zoeken en afnemen van vingerafdrukken. De hotelkamer was niet groot. Na zijn onderzoek met de poederkwast bleek de vangst aan papillairlijnen gering.

Na een minuut of twintig waren ze beiden klaar. Ze hesen zich weer in hun donkere jassen, namen hun zware leren tassen op en verdwenen — net als zij gekomen waren — met sombere gezichten. Kreuger groette niet eens. Bram draaide zich bij de deur nog even om. 'Die harlekijn,' zei hij wijzend naar het lijk op de vloer, 'die harlekijn bevalt me niet. Als ik jou was, De Cock, zou ik uitzien naar een wat sinistere grappenmaker.' 'En waar vind ik die?' Bram stak zijn onderlip vooruit. 'Dat is jouw zaak.' De Cock wuifde grijnzend. 'Bedankt voor de tip.'

Dr. Rusteloos verspilde weinig tijd aan begroetingen. Hij liet zich vrijwel onmiddellijk op één knie zakken en begon het lichaam af te tasten. Toen hij het hoofd van het slachtoffer iets opzij hield, waren de beschadigingen aan de schedel duidelijk te zien.

'Het is een flinke mep geweest,' zei hij, de wondranden bekijkend. 'Voor zover ik kan zien, is er maar één keer geslagen.' Hij glimlachte wat wrang. 'Maar die klap was dan ook ruim voldoende.'

De Cock toonde hem de hockeystick.

'Kan dit het wapen zijn geweest, dokter? De stick is aan de onderzijde verzwaard.'

Dr. Rusteloos bekeek het wapen aandachtig. 'Ja,' zei hij voorzichtig, 'dat kan best. Het is voor mij niet mogelijk dit nu al positief te beweren. Dat begrijpt u. Ik zal dit eerst bij een sectie op het lichaam nog eens nader moeten bekijken, maar het heeft er alle schijn van dat die hockeystick inderdaad is gebruikt. De aard van de schedelverwonding komt er zo oppervlakkig gezien wel mee overeen.' De Cock knikte peinzend.

'En dokter,' vroeg hij, 'wat denkt u van de houding van het slachtoffer? De stand van de armen en benen. Is dat niet ongewoon? Ik bedoel, als iemand na een dodelijke klap op zijn schedel ineenzakt en sterft, is dit dan een houding die het lichaam uit zichzelf zou aannemen of kan aannemen?' Dr. Rusteloos schudde langzaam het hoofd. 'Nee,' zei hij wat weifelend, 'dat is wel ongebruikelijk. Ik heb het nooit zo gezien.' Hij bleef een poosje naar het dode lichaam staren. 'Het is wel vreemd, inderdaad, een rare houding. Het doet mij ergens aan denken. Het lijkt wel een… ' '… een harlekijn,' vulde De Cock aan. Het gezicht van dr. Rusteloos klaarde op. 'Juist ja, inderdaad, een harlekijn.' Uit zijn mond klonk het erg koddig.

Het verdere onderzoek in het hotel leverde weinig op. Het personeel wist niets bijzonders te vertellen. Alle passe-partoutsleu-tels waren in het bezit van de juiste personen. Er was ook geen enkele sleutel zoek. Een wat oudere liftbediende bevestigde de verklaring van de portier. De heer Brets was om acht uur — hoogstens vijf minuten over achten — binnengekomen. Hij had aan de portier de sleutel van zijn kamer gevraagd en de bejaarde liftboy had hem naar de tweede etage gebracht. De liftboy had nog gezien hoe de heer Brets de lange brede gang uitliep naar zijn kamer. Toen had hij de lift weer laten zakken. Er was niemand met hem mee teruggegaan. Hij had, buiten de heer Brets dan, ook niemand op die tweede etage gezien. Uit het register bleek dat Jan Brets drie dagen tevoren zijn intrek in het hotel had genomen. Hij had zich aangemeld als Jan Johannes Brets, oud 25 jaar, van beroep koopman, adres Bre-kelstraat 315 in Utrecht. Er kon gevoeglijk aangenomen worden dat de naam juist was. Hij was overgenomen uit een paspoort.

Het nummer van het paspoort stond bij de aanmelding. Met een enkel telefoontje was de juistheid te controleren.

Brets had praktisch geen bagage bij zich. Er was alleen maar een kleine, leren weekendtas die in de hotelkamer onder het bed werd teruggevonden. De inhoud bood een verrassing. De tas zat vol uitgebalanceerd gereedschap, werktuigen van een inbreker.

Uit de vele ondervragingen bleek dat Jan Brets geen contacten onderhield met andere hotelgasten. Hij bemoeide zich met niemand. Zover bekend ontving hij ook geen gasten op zijn kamer. Alleen het ontbijt nuttigde hij in het hotel. Verder was hij meestal afwezig. Het gedrag van Jan Brets had geen aanleiding gegeven hem als een bijzondere gast aan te merken. Hij was vrij onopvallend zijn weg gegaan.

Het was alles bijeen nogal ontmoedigend. Het onderzoek in Het Wapen van Groenland leverde de rechercheurs weinig directe aanwijzingen op. De Cock riep de portier nog even naar de kamer. 'Heeft er zo tegen achten nog iemand naar de heer Brets gevraagd?' 'Aan de loge?'

'Ja.'

De portier trok een dwarse denkrimpel in zijn voorhoofd.

'Nee, niet dat ik mij herinner.'

'Telefoon misschien?'

Het gezicht van de portier verhelderde.

'Ja, wacht eens, ja, er is nog gebeld.'

'Hoe laat?'

'Dat moet even over achten zijn geweest.'

'Wie was het?'

De portier haalde zijn schouders op.

'Dat weet ik niet. Er werd geen naam genoemd. Het was een vrouw. Ze vroeg of de heer Brets al aanwezig was.'

'En?'

'Ik zei "ja", want ik had hem net de sleutel van zijn kamer gegeven.

'Moet ik hem voor u waarschuwen,' vroeg ik. Ze zei: 'Nee, dank u, laat u maar.' Toen verbrak ze de verbinding.'

De Cock knikte traag.

'U hebt wel enige ervaring met telefoontjes en zo. Wat denkt u, was het zijn moeder, zijn vrouw, zijn verloofde, geliefde?' De portier glimlachte.

'Dat is moeilijk te zeggen,' zei hij met een zucht. 'Het leek mij nog anders toe. Niet een relatie, zoals u die noemde. Ik zou zeggen: koeler, zakelijker. Het klonk ook wat gejaagd, nerveus.' Hij pauzeerde even, zakte weg in gepeins. 'Er was iets met die stem,' zei hij na een poosje. 'Er was iets met die stem.'

'Wat?'

De portier plukte trillerig aan zijn onderlip, dwaalde kennelijk in de zolderkamer van zijn herinnering. Ineens verhelderde zijn blik. 'Ik weet het,' riep hij verheugd, 'ik weet het weer. De stem had een Duits accent. U weet wel zo'n Duitse, die al jaren in Nederland woont, goed Nederlands spreekt en aan wie men toch hoort… ' De Cock knikte. 'Ik begrijp u.'

De broeders van de Geneeskundige Dienst kwamen binnen. Ze schoven de armen van de harlekijn tegen het lichaam en drukten de benen tegen elkaar. Toen tilden ze hem voorzichtig op de brancard. De Cock volgde gespannen hun verrichtingen. Nadat de broeders met het lijk van Brets waren vertrokken deed De Cock nog een laatste inspectie. Daarna sloot hij de kamer af en verzegelde het slot.

Vledder probeerde intussen hoeveel tijd er nodig was om van de portiersloge naar kamer 21 te gaan en terug. Het was precies vier minuten, de tijd voor het kloppen op de deur meegerekend.

Na ruim drie uur onderzoek verlieten de rechercheurs Het Wapen van Groenland.

Het was stil op straat. Over het haast verlaten Damrak liepen ze naar de Warmoesstraat. Vledder droeg de hockeystick en de weekendtas van Brets met gereedschap. De Cock kwam achter hem aan. In zijn zo typische, wat waggelende slenterpas sjokte hij voort. Zijn oude vilten hoed stond nonchalant scheef achter op zijn hoofd. De Cock dacht. Onderwijl floot hij met vooruitgestoken lippen O, kom er es kijken.

Het klonk uiterst vals. Hij floot altijd vals en altijd Sint-Nico-laasliedjes, zelfs midden in de zomer als de Goedheiligman toch verondersteld werd in Spanje te verkeren. O, kom er es kijken, wat er in mijn schoentje zit, alles gekregen…

Bij het beeld van het beursmannetje, midden op het Damrak bleef hij plotseling staan. Het oude liedje dreunde in zijn hoofd:

een pop met krulletjes in het haar

een snoezig jurkje kant en klaar

drie kaatse-ballen in een net

een lettertje van banke-e-et.

Hij sjokte bedroefd verder. 'D'r zat geen harlekijn bij.'

Загрузка...