22

De commissaris greep woedend de telefoon. Voor hem op zijn bureau lag het rapport over de moord. Het was een vrij summier rapport, niet langer dan een halve pagina. Het bevatte de simpele mededeling dat in kamer 21 van hotel Het Wapen van Groenland het lijk was aangetroffen van een man, genaamd Reinier Kamperman, oud 26 jaar, en dat de omstandigheden veel overeenkomst vertoonden met de situatie, aangetroffen bij het vinden van het lijk van Jan Johannes Brets. Dat was de hele inhoud. Meer stond er niet in. De commissaris was er niet tevreden mee. Hij sloeg met zijn vuist op zijn bureau en schreeuwde onbeheerst: 'Laat De Cock bij mij komen.' Rechercheur Van Corstanje, die de hoorn opnam, zei kalm dat hij hem niet verstond.

'Laat De Cock bij mij komen,' herhaalde de commissaris rustiger.

'Het spijt me,' zei Van Corstanje.

'Wat?'

'De Cock is er niet.'

'En Vledder?'

'Die is er wel.'

'Goed, goed, laat Vledder dan komen.' 'Zoals u wilt,' zei Van Corstanje gelaten. Hij legde de hoorn op het toestel terug en keek om zich heen. Toen hij Vledder in het oog kreeg, wenkte hij hem naderbij. 'Je moet bij de baas komen, Dick. En maak je borst maar nat. De oude heeft gloeiend de pest in.' Vledder haalde zijn schouders op.

'Ik kan er niets aan doen,' gnuifde hij. 'Ik ben altijd erg lief voor hem geweest.' Hij trok rustig zijn colbertje aan, schikte zijn stropdas recht en ging op weg naar de baas. De commissaris was in alle staten. Hij liep als een gekooide leeuw achter zijn bureau heen en weer en stortte al zijn toorn uit over het arme hoofd van Vledder.

'Twee moorden in drie dagen,' riep hij woedend. 'En wat heb ik?' Hij sloeg tijdens het lopen met zijn vuist op zijn bureau. 'En wat heb ik? Twee keuterige rapportjes. En wat staat erin? Geen moer.' Hij hief beide handen bezwerend ten hemel. 'Wat hebben jullie in godsnaam uitgespookt? Mag ik dat waarachtig nog weten? Wie is hier aan dit bureau eigenlijk de commissaris, zeg wie, De Cock of ik?' Vledder wees aarzelend voor zich uit. 'U, commissaris.'

'Ja,' brulde de ouwe, 'ik weet het, jij weet het, maar vraag het eens aan je leermeester.' Vledder slikte.

'Dat zal ik doen, commissaris.'

De commissaris ging weer achter zijn bureau zitten. De woedeuitbarsting had hem goed gedaan. Het had hem zichtbaar opgelucht. Hij streek met zijn hand over zijn grijze haren en beduidde de jonge Vledder dat hij tegenover hem mocht plaatsnemen. 'Drie moorden in twee dagen,' verzuchtte hij. 'Twee moorden in drie dagen,' verbeterde Vledder. De commissaris gebaarde wat nerveus. 'Nou ja, dat bedoel ik ook. En beide moorden nog wel in hetzelfde hotel, dezelfde kamer. Zo ogenschijnlijk moet er enig verband bestaan. Het toeval is te groot. Jij was er toch bij, ik bedoel, zowel bij Brets als bij Kamperman?' Vledder knikte. 'Beide keren.'

'En… wat zegt De Cock ervan?'

'De Cock is in die dingen nooit erg openhartig. Maar ik kreeg wel de indruk dat hij heel dicht bij de oplossing was. Hij zei tenminste dat hij over voldoende aanwijzingen beschikte om de moordenaar te ontmaskeren.' De commissaris knikte peinzend. 'Zo, zei hij dat?'

'Ja, en De Cock is geen grootspreker. Als De Cock zegt dat… ' De commissaris wuifde verdere loftuitingen weg. Hij ging weer staan en keek Vledder vanonder zijn borstelige wenkbrauwen doordringend aan.

'Breng De Cock hier.' Het klonk als een bevel.

Vledder maakte een verontschuldigend gebaartje. 'Ik weet echt niet waar hij is. Ik heb hem vanmorgen al gebeld, thuis, maar daar is hij niet. Ik kreeg zijn vrouw aan de lijn. Ook zij weet niet waar hij is.'

Het hoofd van de commissaris werd weer gevaarlijk rood. Hij strekte zijn arm in de richting van de deur.

'Dan zoek je hem op, vraag desnoods zijn opsporing, maar doe wat!'

Het galmde door de kamer. Vledder knikte.

'Zeker,' zei hij benepen, 'zeker, zoals u wilt.' Onderwijl vluchtte hij de kamer uit.

De Cock stuurde zijn eigen oude Volkswagen door de oude binnenstad van Amsterdam. Hij had een uitgebreid bezoek gebracht aan dr. Brouchec en zocht nu voor zijn wagen een par-keerplaatsje op de Keizersgracht in de buurt van het gerenommeerde accountantskantoor Brassel & Zoon. Het onderhoud met de dokter had hem de zekerheid gegeven dat zijn eigen inzichten inzake de ziekte van Friedrich Gosler juist waren en dat ook Gosler zelf zich daarin niet vergiste. Aanvankelijk had de dokter weinig bereidheid getoond, maar toen De Cock als dreigement de arrestatie van Friedrich Gos-ler in het vooruitzicht stelde en schetste hoe de cellen van het bureau Warmoesstraat er van binnen uitzagen, veranderde zijn houding. Op basis van wederzijds vertrouwen vertelde hij wat medisch gezien zijn verwachtingen waren. De Cock had om een schriftelijke bevestiging gevraagd, maar dat had de dokter pertinent geweigerd.

'Wacht maar rustig af,' had hij gezegd.

Maar juist dat wachten bracht De Cock in een wat pijnlijke dwangpositie.

Toen hij eindelijk op de gracht voor zijn wagen een plaatsje had gevonden, stapte hij uit en slenterde naar het kantoor van Brassel. Zijn gezicht stond ernstig. De plooien in zijn voorhoofd lagen dieper dan normaal. Hij had zijn plannen klaar en wist dat hij risico's liep. Hij wist ook dat zijn ambtsinstructies — een boekje met ettelijke bijlagen — een andere gedragslijn voor hem bepaalden. Maar De Cock hield niet van ambtsinstructies. Hij had er nooit van gehouden. Hij hield van mensen. En dat was heel wat anders. Hij slofte een blauwstenen stoep op, bleef op het bordes staan en belde aan. Na ongeveer een minuut werd de zware deur geopend. Voor hem stond een groenogig meisje. Ze had een kuiltje in haar linkerwang. De Cock nam zijn hoed af en glimlachte. 'Mijn naam is De Cock,' zei hij beminnelijk, 'De Cock met cee-ooceekaa. Zeg tegen de heer Brassel dat ik hem wil spreken.'

Vledder frommelde wat verlegen aan zijn stropdas. 'Mevrouw De Cock,' zei hij haast smekend, 'weet u echt niet waar uw man is? De commissaris is woedend en brult het hele bureau bij elkaar. Terecht, geloof ik. Ik bedoel, mevrouw De Cock, u weet hoe ik op uw man ben gesteld, maar hij heeft zich al in drie dagen niet op het bureau laten zien. En dat is toch te gek.' Mevrouw De Cock knikte.

'Je hebt gelijk, Dick, het is te gek. Ik begrijp ook niet precies wat hem bezielt.' Ze lachte hem toe. 'Natuurlijk weet ik waar hij is. Hij heeft alleen gezegd dat hij voor niemand te spreken is.' Vledder trok een pijnlijk gezicht. 'Geldt dat ook voor mij?' Ze glimlachte vertederd.

'Kom vanavond om acht uur terug, Dick. Ik zal ervoor zorgen dat hij er is.'

De Cock begroette zijn jongere collega allerhartelijkst. Hij schudde hem langdurig de hand, legde vriendschappelijk een arm om zijn schouder en leidde hem zo naar zijn gezellige zitkamer. Het gezicht van De Cock straalde. Hij scheen oprecht blij met het bezoek van Vledder.

'Ik meen, Dick,' zei hij opgewekt, 'dat ik je heel wat uitleg verschuldigd ben. Ik had het je natuurlijk te zijner tijd allemaal wel verteld, maar mijn vrouw had zo met je te doen, dat ze mij heeft overgehaald om nu reeds opening van zaken te geven.'

Mevrouw De Cock gaf Vledder een knipoogje. 'En,' zei ze glimlachend, 'dat kostte mij niet eens zoveel moeite.' 'Mijn vrouw heeft ook gelijk,' vulde De Cock ernstig aan, 'waarom niet. We werken al zo lang samen. Ik weet dat ik je volledig kan vertrouwen.'

Hij maakte een gebaartje. 'Dat vertrouwen heb ik ook nodig, zie je, want ik moet je geheimhouding opleggen. Over hetgeen ik je vanavond zal vertellen, mag je voorlopig met niemand praten, zelfs niet met de commissaris. Je begrijpt dat ik hem niet voor niets uit de weg ga.' Vledder keek verbaasd. 'Is hij er dan bij betrokken?' De Cock lachte.

'Nee zeg, gelukkig niet. Maar als hij het verhaal kende, zou hij mij wel eens kunnen dwingen de moordenaar te arresteren. En dat wil ik niet.'

Vledder keek hem ongelovig aan.

'Wil je dat niet?'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Nee, dat wil ik niet. Ik heb daarvoor verschillende motieven, motieven die ik je in de loop van de avond zal proberen duidelijk te maken.'

Hij wees naar de brede fauteuils.

'Kom, Dick, ga er eens gezellig bij zitten.'

Hij liep naar het dressoir, nam daaruit een fles Franse cognac en liet het etiket zien.

'Wat denk je hiervan?'

Vledder knikte gretig.

De Cock pakte een stel dikbuikige glazen en warmde ze boven een spiritusbrandertje. Daarna schonk hij met aandacht in. De Cock was een liefhebber van een goed glas cognac. Hij genoot ervan met volle teugen. De prikkelende geur, de tintelende smaak, de verwarmende gloed. Cognac was voor hem een totale verrukking.

'Ik heb,' zo begon hij, nadat hij zijn glas had neergezet, 'ook in deze zaak fouten gemaakt. Ik geloof dat het niet te vermijden is. Bij elk onderzoek, vooral in het begin, tast men in het duister en dan kan elke stap, hoe behoedzaam ook genomen, een verkeerde stap zijn. Och, een mens moet fouten durven maken. Ik bedoel dit: iemand die bang is om fouten te maken, ontloopt alle beslissingen, gaat handelingen uit de weg en vervalt uiteindelijk tot een angstig nietsdoen. Nee, Dick, ik ben nooit bang geweest om fouten te maken, ik ben beslissingen nooit uit de weg gegaan.'

Hij pakte zijn glas op en nam opnieuw een slok. 'Maar nu ter zake. Het stond van het begin af vast dat Pierre Brassel de dader niet kon zijn. Zowel voor de eerste als voor de tweede moord was zijn alibi onaantastbaar. Wel bleek uit alles dat Brassel verbindingen had met de werkelijke dader, dat hij volkomen op de hoogte was van diens plannen en met die plannen sympathiseerde, althans daaraan zijn medewerking verleende. Maar wie was die werkelijke dader? Wie was de man achter Brassel? Intrigerende vragen.

Maar wat mij in feite bezighield was het waarom. Waarom werd Jan Brets vermoord? Waarom leende Brassel zich voor een gevaarlijk spelletje op de rand van medeplichtigheid? Met andere woorden: Wat was het motief?

De meest gangbare motieven schenen niet op te gaan. Ze pasten niet. Tussen Brassel en Brets bestond geen enkele relatie, althans geen relatie die een motief kon inhouden. De moord leek zo zinloos. Toch was Brets geen willekeurig slachtoffer, integendeel, Brets werd als slachtoffer heel bewust gekozen. Juist hij werd door Pierre Brassel benaderd en uitgenodigd voor een verblijf in het hotel Het Wapen van Groenland.' De Cock stak gebarend een wijsvinger omhoog. 'Wat had die keuze bepaald? Ik bedoel: Waarom Jan Brets, een onbetekenend inbrekertje uit Utrecht? Wie had belang bij zijn dood? Brassel? Ik zei al, een rechtstreeks verband Brets-Bras-sel was er niet te vinden. Er moest dus een indirect verband bestaan, een indirect belang. Hoe? De enige mogelijkheid was via de man achter Brassel, dus via de werkelijke moordenaar. Maar wie was dat?' De Cock grijnsde.

'Zo bleef ik in cirkels denken, waarbij steeds weer dezelfde vragen opdoken.'

'Ik hoor nog niets van een fout,' zei Vledder. De Cock zuchtte.

'Die komt nog. Zoals je je herinnert, gingen we een dag na de moord op Jan Brets beiden naar Brassel in Ouderkerk aan de Amstel en maakten daar kennis met mevrouw Brassel. Uit haar houding, maar meer nog door haar uitlatingen, kreeg ik de gedachte dat de werkelijke moordenaar binnen de kring, de familiekring van de Brassels te vinden was. Het was een goede gedachte, die tevens een redelijke verklaring kon geven voor het gedrag van Pierre Brassel. Immers, het zou helemaal niet vreemd zijn, wanneer Brassel zijn spelletje speelde ten behoeve van een lid van zijn familie.' De Cock maakte een weids gebaar.

'Wanneer ik toen in die richting was blijven doordenken, had ik misschien de moord op Reinier Kamperman kunnen voorkomen.'

Vledder keek zijn leermeester verbaasd aan.

'Maar waarom deed je dat dan niet?'

De Cock schonk Vledder een matte glimlach.

'Omdat ik simpelweg de intelligentie en de wetskennis van

Brassel te hoog aansloeg.'

'Dat begrijp ik niet.'

De Cock grijnsde.

'Herinner je je nog dat ik die bewuste avond in Ouderkerk aan de Amstel met Brassel over het waarschuwingsbriefje sprak? Brassel raakte duidelijk van de kook toen ik tegen hem loog en zei dat ik onder het lijk van Jan Brets geen waarschuwingsbriefje had gevonden. Ik maakte uit zijn reactie op dat Brassel het waarschuwingsbriefje werkelijk van groot belang achtte. En dat deed hij ook.' De Cock zuchtte diep.

'Ik trok toen een verkeerde conclusie. Zie je, wanneer de werkelijke dader binnen de kring van zijn familie lag, behoefde Bras-sel wettelijk niemand te waarschuwen. Hij waarschuwde echter wel en ik concludeerde: de werkelijke dader is geen familie.'

Mevrouw De Cock boog zich naar haar man. 'Je bedoelt,' zei ze peinzend, 'dat Brassel geen waarschuwingsbriefje hoefde te schrijven als de dader een lid van zijn eigen familie was?' De Cock knikte.

'Juist, hij hoefde dan noch de politie, noch het aanstaand slachtoffer te waarschuwen, omdat hij zich ten aanzien van een familielid eenvoudig op het verschoningsrecht kon beroepen.' 'Verschoningsrecht?'

'Ja, volgens de Nederlandse wetgeving hoeft niemand mee te werken aan de strafvervolging van een bloed- of aanverwant. Ik vermoed dat Brassel niet aan het recht van verschoning heeft gedacht. Misschien ook heeft hij het bij zijn studie van het strafrecht niet begrepen. Hoe het ook zij, ik werd erdoor misleid.' Vledder keek hem onderzoekend aan.

'Misleid?'

De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht.

'Ja,' zei hij met een zucht, 'de moordenaar was tóch een lid van de familie.'

Mevrouw De Cock stond op.

'Zal ik nu eerst een kopje koffie inschenken?'

De Cock knikte haar toe.

'Goed schat, en geef er van dat gebak bij, je weet wel van dat recept van mevrouw Brassel.'

Mevrouw De Cock keek hem wat spottend aan.

'Waarom noem je ze geen harlekijntjes?'

De Cock grinnikte.

'Warempel,' zei hij breed lachend, 'dat is een goed idee. Koffie met harlekijn.'

Vledder kon zijn ongeduld moeilijk bedwingen. Het koffie-in-termezzo paste hem niet. Hij had liever dat De Cock zonder pauzes doorvertelde, maar hij begreep heel goed dat de grijze speurder zich toch niet zou laten haasten. Daarom wachtte hij gelaten.

Al na een paar minuten kwam mevrouw De Cock terug uit de keuken en serveerde koffie met gebak. Onderwijl babbelde ze opgewekt over het fantastische recept van mevrouw Brassel.

Het ging alles heel ongedwongen, alsof er geen moord op zijn ontknoping wachtte.

Vledder schoof naar het randje van zijn fauteuil.

'Hoe,' vroeg hij met nauwelijks ingehouden ongeduld, 'hoe kwam je er nu achter dat de moordenaar toch een lid van de familie was?'

'Hampelmann.'

Vledder keek hem niet-begrijpend aan. 'Hampelmann?'

De Cock knikte. 'Hampelmann, het Duitse woord voor harlekijn.' 'Het zegt mij niets,' zei Vledder wat wrevelig. 'Ik weet alleen dat Jan Brets, en later ook Reinier Kamperman, toen we hen vonden er nogal vreemd bij lagen. De eerste indruk was inderdaad die van een levensgrote harlekijn.' De Cock zuchtte.

'Heel juist, harlekijn, in het Duits Hampelmann. De lijken van Brets en Kamperman waren met opzet in die houding gelegd.' 'Maar waarom?'

De Cock plooide zijn gezicht in een brede grijns. 'Als symbool.'

'Symbool… symbool van wat?'

'Gerechtigheid.'

'Gerechtigheid?'

'Ja, Dick, gerechtigheid, en om dat te begrijpen, moeten we een poosje in de geschiedenis teruggaan.'

Enige jaren voor de Tweede Wereldoorlog werd een zekere Hein-rich Gosler door de nazi's gearresteerd. De vrouw van die Gosler, een joodse, vluchtte met haar beide kinderen naar Holland en wel naar Haarlem, waar haar broer, Jacob Hampelmann, die al een paar jaar eerder was gevlucht, een antiekzaakje dreef. In de verwachting nog iets voor haar man te kunnen doen, ging mevrouw Gosler na ongeveer een maand weer naar Duitsland terug. Vermoedelijk is ze vrij kort daarna opgepakt. Men heeft in ieder geval nooit meer iets van het echtpaar Gosler gehoord. Men neemt aan dat ze in een of ander kamp zijn omgekomen. De beide kinderen, Friedrich en Liselotte, bleven in Haarlem bij oom Hampelmann, die de kinderen moedig door de oorlogsjaren hielp en hen met grote persoonlijke opofferingen een uitstekende opvoeding gaf. Het spreekt vanzelf dat de kinderen

zeer aan oom Hampelmann waren gehecht.'

De Cock pauzeerde even en wreef met zijn hand langs zijn ogen.

'Nu ongeveer acht jaar geleden,' ging hij verder, 'ontmoetten Jan Brets en Reinier Kamperman elkaar in een van onze onvolprezen opvoedingsgestichten. De beide jongens, zeventien en achttien jaar oud, waren door de kinderrechter in het gesticht geplaatst. Jan Brets omdat hij de omgeving van Utrecht onveilig had gemaakt en Rei-nier Kamperman voor een serie inbraakjes in Haarlem, waaronder een mislukte kraak in het antiekzaakje van Jacob Hampelmann. Brets en Kamperman wisselden ervaringen uit en Kamperman vertelde van de antiquair Hampelmann, die — zo was de gangbare mening — er heel warmpjes bijzat. Alleen was die Hampelmann, zo kwalificeerde Reinier het, zo waakzaam als de pest. Daardoor was zijn vorige kraak ook mislukt. De oude man was wakker geworden.

Jan Brets wist daar wel een middeltje op. Als hij de oude onder handen nam, werd hij nooit meer wakker. En zo beraamden die twee in het opvoedingsgesticht heel koelbloedig een roofmoord op antiquair Hampelmann. Het eerstvolgende weekendverlof, wegens goed gedrag verleend, liftten ze beiden naar Haarlem, kochten onderweg een fikse hamer en sloegen 's nachts de oude Hampelmann de hersens in. De gehele buit bedroeg elf gulden en drie cent.'

Mevrouw De Cock schudde verbijsterd het hoofd. 'Verschrikkelijk,' riep ze.

'Inderdaad, verschrikkelijk. Friedrich en Liselotte waren er kapot van. Toen het gebeurde waren ze beiden niet thuis. Friedrich had dienst in een hotel, waar hij destijds in opleiding was en Li-selotte logeerde bij Pierre Brassel, toen nog haar verloofde. Brets en Kamperman werden spoedig gepakt en legden een volledige bekentenis af. Uit het onderzoek bleek dat de oude man zich bijzonder krachtig tegen zijn aanvallers had verzet. Brets had echter zo lang met de hamer op de bejaarde antiquair ingeslagen, dat de oude man uiteindelijk bezweek.

Toen Friedrich Gosler de bijzonderheden vernam, was hij razend en zwoer een heilige eed zijn oom, hoe dan ook, te wreken.' 'De kiem voor de latere moorden,' onderbrak Vledder. 'Precies,' verzuchtte De Cock, 'de kiem voor de latere moorden.' Er viel een stilte. Het was alsof de wraakgevoelens van Frie-drich Gosler bezit van hen hadden genomen, alsof de moorden opnieuw werden overdacht. Mevrouw De Cock verschoof in haar stoel. 'Ik kan mij de gevoelens van die Friedrich Gosler wel indenken,' zei ze ernstig, 'en wanneer hij op dat moment die twee knapen in handen had gekregen, zou ik een emotionele moord wel aanvaardbaar hebben gevonden. Maar nu… acht jaar later… ' De Cock beet nadenkend op zijn onderlip. 'Je hebt gelijk. Toen wel. Maar Brets en Kamperman gingen de gevangenis in en onderwijl bekoelde de woede van Gosler. Hij hield die twee echter nauwlettend in het oog en zo vernam hij dat van de aanvankelijke straf uiteindelijk niet veel overbleef. Na een paar jaar liepen de beide moordenaars van zijn oom weer vrij rond.

Friedrich Gosler was over dit soort gerechtigheid niet tevreden. Hij sprak erover met zijn zuster en met zijn zwager, Pierre Bras-sel. Ze waren het er alledrie over eens dat er aan oom Hampel-mann geen recht was geschied en Friedrich opperde het idee van moord als een wat verlate executie.' Vledder keek op.

'Dat klinkt mij bekend in de oren.' De Cock knikte.

'Dat klopt ook wel. Pierre Brassel versprak zich een keer. Dat was tijdens onze eerste ontmoeting in de recherchekamer. Hij vroeg zich toen hardop af, waarom hij risico's zou nemen voor een moord, die uiteindelijk niet meer was dan een wat verlate… ' De Cock glimlachte. 'Kun je het je nog herinneren? Het laatste woord slikte Brassel in. Dat woord was executie.' Mevrouw De Cock gebaarde. 'Het idee van Gosler, werd dat direct aangenomen?' 'Nee, Pierre Brassel was er tegen. Hij voelde er niets voor. Begrijp goed, hij was in feite een buitenstaander. Hij stond veel nuchterder tegenover de wraakgedachte van broer en zus Gos-ler. Hij vond het maar een dwaas idee om hun leven, hun positie, in de waagschaal te stellen voor een moord op een Brets en een Kamperman, in zijn ogen maar een paar inferieure wezens, de aandacht van een gentleman niet waard. Hij wist zijn zwager te overreden van de verlate executie af te zien.' 'Ma… maar,' stotterde Vledder, 'dat begrijp ik niet. Het plan werd ten slotte toch uitgevoerd?'

'Ja, maar dat had een andere oorzaak,' verzuchtte De Cock. 'Een andere oorzaak?'

'Kanker.'

Hij zweeg even. In zijn gedachten drong zich het beeld op van de zieke man in de fauteuil. Hij zag weer de fletse ogen, de ingevallen wangen en de scheefgezakte mond, die van gerechtigheid sprak.

'Ja,' ging hij verder, 'Friedrich Gosler kreeg kanker en een openhartige arts vertelde hem dat hij nog maar een half jaar te leven had.'

De Cock streek met zijn hand over zijn gezicht. 'De rest laat zich raden. Gosler besloot dat laatste halve jaar van zijn leven te gebruiken om zijn geliefde oom recht te doen. Hij riep de hulp in van zijn zwager, Pierre Brassel.' Mevrouw De Cock keek haar man onderzoekend aan. 'En,' vroeg ze aarzelend, 'was Brassel nu wel bereid zijn medewerking te verlenen?'

'De positie van Brassel,' zei hij bedachtzaam, 'was wat moeilijk. In principe was hij het wel met zijn zwager eens, er was aan oom Hampelmann geen recht geschied. Hij was alleen veel minder geneigd om ter wille van de wraakgedachte risico's te nemen. Bovendien was hij van nature veel humaner. Brassel was van mening dat een misdadiger zich kon reclas-seren, dat Jan Brets na al die jaren niet per se nog dezelfde man hoefde te zijn als de inbreker Brets, die destijds oom Hampel-mann had neergeslagen. Hij bepleitte bij zijn zwager een test.' 'Een test?' vroeg Vledder.

'Ja, een test. Jan Brets zou, gefingeerd, in eenzelfde keuzesituatie worden geplaatst.'

'Een keuzesituatie?'

'Ja,' antwoordde De Cock geduldig, 'een situatie, waarin Brets kon kiezen tussen doden… of niet doden.' 'Ik begrijp het, de oude nachtwaker en de hockeystick.' 'Juist. Brassel benaderde Brets met veel hocus-pocus over een bende en…' hij stak gebarend een vinger omhoog, 'met een plan voor een inbraak bij de firma Van Brunssum in de Spuistraat. Hij stelde dat daarbij een oude nachtwaker moest worden neergeslagen en gaf Brets het wapen, waarmee dit moest gebeuren, de met lood verzwaarde hockeystick. Het was voor eenieder duidelijk dat iemand, die met een dergelijk wapen een klap op zijn hoofd kreeg, de slag niet zou overleven. Jan Brets nam de hockeystick echter blijhartig aan en verklaarde zich zonder meer bereid daarmee de oude nachtwaker neer te slaan.'

'En daarmee tekende hij zijn eigen doodvonnis,' zei Vledder. 'Inderdaad. Jan Brets had de test niet doorstaan.' Mevrouw De Cock schudde vertwijfeld het hoofd. Een kille test om uit te maken of een man zou worden vermoord of niet. 'Maar Kamperman dan?' riep ze uit.

'Pierre Brassel had geen argumenten meer,' antwoordde hij somber. Hij had de wraakoefening aanvankelijk kunnen opschorten door te wijzen op de risico's, die daaraan voor hen persoonlijk verbonden waren, de ziekte van Gosler had die risico's weggenomen. Hij had met veel moeite Gosler zover gekregen dat hij een test toestond. Jan Brets bleek nog net zo tot moord bereid als acht jaar geleden.

Toen Brassel ook voor Kamperman een test bepleitte, wilde Go-sler daar niets van weten. Bovendien drong de tijd. De krachten van Friedrich Gosler namen zienderogen af. De ziekte sloopte zijn lichaam sneller dan hijzelf en zijn arts verwachtten. Wilde hij zijn taak nog volbrengen, dan was haast geboden.' 'Reinier Kamperman kreeg dus geen enkele kans?' Het klonk wat verbitterd.

'Dat is het tragische van deze hele geschiedenis, of feitelijk, de tragiek van Brassel, want Reinier Kamperman had zich na de moord op oom Hampelmann wel gereclasseerd. Hij had de misdaad voorgoed de rug toegekeerd en was een oppassend huisvader geworden.'

De Cock zweeg. Zijn laatste woorden bleven lang in de kamer zweven.

'Wat is gerechtigheid toch een akelig woord,' zei mevrouw De

Cock.

De Cock schoof zijn onderlip vooruit en knikte. 'Soms,' zei hij bitter.

Vledder zat nog steeds in gepeins verzonken.

'Waarom,' vroeg hij na een poosje, 'handel je deze zaak niet normaal af?'

'Hoe bedoel je?'

'Wel, arresteer Gosler.'

'Nee, dat doe ik niet. Begrijp me goed, niet omwille van Gosler wegens zijn ziekte, of dat ik zou sympathiseren met zijn motieven, maar omdat ik bang ben.'

'Bang?'

'Ja, ik ben bang voor navolging. Zie je, kanker is een veelvoorkomende ziekte. Als eenieder, die weet dat het onvermijdelijke nabij is, een soort privé-gerechtigheid gaat bedrijven, dan zijn de gevolgen niet te overzien. Daarom is het beter dat de zaak van de dode harlekijnen nooit tot de openbaarheid doordringt.'

Het was al laat in de avond toen Vledder naar huis ging. 'Doe morgen de groeten aan de collega's,' zei hij. Vledder glimlachte. 'Wanneer kom je weer op bureau?'

'Zo gauw als Friedrich Gosler is overleden. Volgens zijn arts een kwestie van dagen. Pas dan doe ik verslag aan de commissaris, eerder niet.'

Hij maakte een simpel handgebaartje. 'Je kunt een dode niet laten arresteren.'

Загрузка...