16

Met een gezapige vaart van zo rond de vijftig kilometer chauffeerde Vledder hun oude trouwe politie-Volkswagen langs de Amstel terug naar Amsterdam. De rivier was breed, breder dan normaal. Het water spatte tot op het asfalt van de weg. Een felle, gierende wind tooide de golven met witte kuiven. Het was bijna angstaanjagend. Donkere wolken joegen langs de hemel, verduisterden het maanlicht. Het eenzame buitenhuis met de vier windwijzers leek een verlaten spookkasteel. De Cock had voor dat alles geen oog. Hij zat naast Vledder, diep onderuitgezakt. Hij had zijn oude hoed tot op zijn neus geschoven en geeuwde ongegeneerd.

'Ik heb slaap,' zei hij tussen twee geeuwen door. 'We gaan nog even terug naar de Warmoesstraat om te horen of er wat is. Dan gaan we naar huis.'

Vledder knikte langzaam. Hij tuurde gespannen door de voorruit. Het licht van de koplampen streek over het wilde water van de Amstel. 'Ik heb net het gevoel,' zei hij somber, 'dat er weer een moord in de lucht hangt.' De Cock kreunde vanonder zijn hoed.

'Ik heb voorlopig aan één moord meer dan genoeg. Zeg maar tegen je gevoel dat het niet door kan gaan.' Vledder lachte.

'Was Pierre Brassel werkelijk een hockeyspeler?' vroeg hij na een poosje.

'Ja Dick, en een goeie.'

'En die stick, ik bedoel de stick waarmee Jan Brets werd vermoord, was dat de hockeystick van Brassel?' De Cock knikte.

'Inderdaad van onze vriend Brassel. De schrandere luitjes van het laboratorium hebben ergens nog vagelijk de initialen P.B. in het hout van de hockeystick kunnen terugvinden. Ze schijnen er jaren geleden met een potlood te zijn ingekrast. Over het plasticband en de schijfjes lood waarmee de stick aan de onderzijde was verzwaard, heb ik nog geen uitsluitsel. Ik heb begrepen dat er weinig van te zeggen valt. Misschien dat ze de herkomst nog kunnen achterhalen. Maar eerlijk gezegd vind ik dat niet zo belangrijk.' Vledder zuchtte diep.

'Ik begrijp er geen steek van,' zei hij geprikkeld, 'waarom toch dat alles? Brassel speelt met vuur. Als hij door zijn bezoek aan ons geen onweerlegbaar alibi had, zat hij allang achter slot en grendel. En het zou mij dan niet eens hebben verbaasd, wanneer hij uiteindelijk voor de moord op Jan Brets zou zijn veroordeeld. Denk eens aan al de aanwijzingen die wij naar voren hadden kunnen brengen.' Hij glimlachte zachtjes voor zich uit.

'Van al die aanwijzingen blijft nu bitter weinig over. Op het moment dat de moord werd gepleegd was hij bij ons. Dat valt niet te ontkennen. We kunnen het tijdstip van de moord moeilijk een uurtje verschuiven.' De Cock lachte. Hij schoof zijn hoedje iets naar achteren en hees zich moeizaam overeind. 'Weet je Dick,' zei hij aarzelend, 'dat briefje dat hij ons schreef, dat malle briefje met een verzoek om een afspraak, had volgens mij alleen maar ten doel zichzelf een waterdicht alibi te verschaffen voor een moord, waarvan hij wist dat hij zou worden gepleegd; sterker nog, voor een moord, die hij heeft helpen voorbereiden.'

Hij draaide zich naar Vledder toe.

'Kijk Dick, en juist dat laatste begrijp ik niet. In feite zit dat mij het meest dwars.'

'Hoezo?'

'Zie je Dick,' ging hij verder, 'het feit, dat Pierre Brassel blijkbaar vrijwillig aan de voorbereidingen heeft deelgenomen, betekent dat hij ermee akkoord ging. Hij had althans geen overwegende bezwaren. Hij hield de werkelijke moordenaar niet tegen, nee, hij reikte hem zelfs de helpende hand. Waarom pleegt men een moord? Ik bedoel, een weloverwogen, tot in de details voorbereide moord?

Hij stak zijn hand omhoog en telde op zijn vingers: 'hebzucht, wraak, jaloezie, angst, chantage.'

Hij schudde zijn hoofd.

'Voor zover ik het kan bekijken, zijn geen van deze motieven haalbaar. Ga maar na. Jan Brets was zo arm als een kerkmuis. Hij woonde nog bij zijn moeder in en we hebben zelf gezien hoe schamel het oude mens er in Utrecht bij zat. Verder is van enige relatie Brassel-Brets uit het verleden niets gebleken. Voordat Pierre Brassel de inbreker Brets benaderde voor die zogenaamde inbraak bij Van Brunssum, kenden zij elkaar niet. En dit benaderen moeten we in feite al zien als een voorbereidingshandeling tot de moord. Het eigenlijke motief valt hier dus buiten, of beter gezegd, ging hier al aan vooraf.' Vledder keek glunderend opzij. 'Goed, heel goed,' riep hij enthousiast. 'Je kunt er nog wat van. Je bent het echt nog niet verleerd. Het is een glasheldere redenering en volkomen logisch.'

Hij grinnikte.

'Ik vond je optreden vanavond bij Brassel ook steengoed. Dat kleine leugentje van jou over het niet vinden van het waarschuwingsbriefje bracht hem volmaakt uit zijn evenwicht.' De Cock glimlachte bij de herinnering. 'Ja,' zei hij peinzend, 'Pierre Brassel was wel even zijn pose kwijt. Eerlijk gezegd verbaasde zijn reactie mij een beetje. Ik had gedacht dat zijn positie sterker was.' 'Wat bedoel je?' De Cock zuchtte.

'Ik dacht dat hij minder kwetsbaar was.' Vledder knikte.

'Wat denk je, zouden we hem op den duur iets kunnen maken?'

'Ik hoop van niet.'

'Wat?'

De Cock schudde zijn hoofd.

'Nee, echt,' zei hij ernstig. 'Ik meen het. Ik hoop niet dat wij hem een of andere misdaad kunnen aanmeten. Het zou mij spijten. Ik vind hem namelijk een sympathieke kerel.' Vledder reed van verbazing haast van de weg af. 'Brassel,' herhaalde hij schamper, 'een sympathieke kerel? Die hautaine meneer die ons op allerlei manieren probeert belachelijk te maken? Je bent niet goed bij je hoofd. Als het spelletje dat hij met ons speelt, algemeen bekend wordt, blijft er van jouw reputatie niet veel meer over.' De Cock haalde zijn schouders op.

'Och,' zei hij met een matte glimlach, 'mijn reputatie kan wel een stootje hebben. Daar ben ik niet zo bang voor. Bovendien is dat minder belangrijk.' Hij wreef met zijn hand over zijn gezicht. 'Zie je, ik had vanavond medelijden met Brassel. Ik heb goed op op hem gelet. Er was meer angst dan branie. De schijnbaar zo hooghartige Brassel is in feite doodsbang dat er iets is fout gegaan. Hij is onzeker. Ondanks zijn zorgvuldige voorbereidingen en zijn studie van het strafrecht, vreest hij dat wij hem iets ten laste kunnen leggen. Denk maar eens aan zijn felle reactie, toen ik van medeplichtigheid sprak.' Vledder knikte.

'Dat is wel waar. Maar het is voor mij toch geen reden om hem sympathiek te vinden.'

Hij stuurde het politiewagentje rond het monument op de Dam de oude Warmoesstraat in en stopte voor het bureau. De brigadier-wachtcommandant keek verstoord van zijn dienstboek op, toen Vledder en De Cock voor de balie verschenen. 'Verrek,' riep hij, 'waar zaten jullie?' De Cock keek hem niet-begrijpend aan. 'Hoezo brigges?' 'Ik heb jullie overal proberen te bereiken. Ik zit hier al een paar uur met een kerel en ik weet niet wat ik met hem aan moet.' 'Een kerel?'

'Ja, ene Freddy van Blaakeren. Hij is hier vanavond uit zichzelf komen binnenwandelen.'

De Cock liet zijn blik even over de jongeman dwalen. Toen wees hij uitnodigend naar de stoel naast zijn bureau. 'Gaat u zitten,' zei hij innemend. 'Wat verschaft ons het genoegen van uw komst?'

Freddy van Blaakeren keek de grijze rechercheur verwonderd aan. 'Genoegen? U zocht mij toch?' De Cock grijnsde vriendelijk.

'Ik wilde eens met u babbelen, bijvoorbeeld over uw vriend Jan Brets, en zijn nogal plotselinge dood. Vanmiddag had u blijkbaar geen tijd voor ons. U scheen nogal gehaast.' De jongeman knikte langzaam.

'Ik had niet moeten weglopen,' zei hij met een zucht. 'Dat was dom. Erg dom. Ik heb dat later beseft. Daarom ben ik vanavond ook gekomen. Ik wilde de verkeerde indruk, die ik door mijn vlucht heb gewekt, wegnemen. Ik heb met de moord op Jan Brets niets te maken.'

De Cock plooide zijn gezicht in een uitdrukking van verbazing. 'Maar u hebt toch, nog wel in het bijzijn van meerdere getuigen luidkeels geroepen dat u hem de hersenen zou inslaan?' Freddy van Blaakeren liet het hoofd iets hangen en knikte nauwelijks, merkbaar.

'Dat heb ik,' zei hij toonloos. 'Maar…'

'Wel,' ging De Cock onderbrekend verder, 'diezelfde dag, een paar uur later, was Jan Brets dood, vermoord. Iemand had hem zijn schedeldak ingeslagen. Een merkwaardige coïncidentie, vindt u niet?'

Van Blaakeren schudde het hoofd. 'Ik heb het niet gedaan,' zei hij simpel. De Cock negeerde de opmerking.

'O,' zei hij breed gebarend, 'en zo zijn er nog een paar, laat ik zeggen, merkwaardigheden. Ik zal ze u noemen.' Van Blaakeren sprong op. 'Nee,' riep hij fel. 'Ik heb het niet gedaan.' De Cock legde zijn hand op de schouder van de jongeman en drukte hem zachtjes op zijn stoel terug. 'U zult luisteren,' zei hij streng, 'naar hetgeen ik u te zeggen heb, meneer Van Blaakeren, of wilt u niet horen, waarom ik u vanmiddag had kunnen arresteren, wanneer u niet zo snelvoetig was geweest?'

De jongeman slikte. Zijn adamsappel wipte op en neer. 'Gaat u gang,' zei hij zacht.

De Cock streek met zijn hand door zijn grijze haar.

'Er waren, meneer Van Blaakeren, slechts een paar mensen die

wisten dat Jan Brets in het hotel Het Wapen van Groenland verbleef. En tot die weinigen behoorde u. U was lid van het zogenaamde syndicaat. U wist dat Jan Brets in Amsterdam was voor het treffen van voorbereidingen. U wist dus waar u hem in uw moordzucht kon bereiken.'

Hij gebaarde voor zich uit. 'In het licht van de door u geuite bedreigingen, geen punt in uw voordeel. Bovendien had u een motief.' De jongeman keek verschrikt op. 'Een motief?'

De Cock knikte nadrukkelijk.

'Jaloezie, u was jaloers op Jan Brets in verband met de interesse die Cynthia in hem stelde, een sterk motief voor moord.' Hij pauzeerde even.

'En dan nog iets, meneer Van Blaakeren. Het lichaam van Jan Brets werd gelegd in een houding die sterk aan een harlekijn deed denken en u was de enige die hem een pias of een clown noemde.' De Cock schoof zijn onderlip iets naar voren. 'Wat denkt u,' vroeg hij met een zweem van sarcasme, 'zou u met al die aanwijzingen bij een rechtbank nog kans maken op vrijspraak?'

Van Blaakeren schudde heftig het hoofd.

'Ik heb het niet gedaan,' riep hij uit. 'Het is allemaal vals, vals, vals.'

De Cock zuchtte.

'Hoelang kende u Pierre Brassel al?'

'Brassel?'

'Ja.'

'Ik ken hem niet.'

De Cock keek hem onderzoekend aan. Even twinkelde er een vervaarlijk vuur in zijn ogen. 'Dat moet,' zei hij scherp.

Van Blaakeren sloeg beide handen voor zijn gezicht.

'Ik ken hem niet. Ik ken hem niet.'

In zijn stem klonk wanhoop.

'Heeft Brets je niet aan hem voorgesteld?'

'Nee, ik heb die Brassel nooit ontmoet. Jan heeft mij van hem verteld. Dat wel. Hij zou de man zijn achter de schermen. De organisator, de tipgever.'

De Cock knikte.

'Wanneer zou Operatie Harlekijn worden uitgevoerd?' Van Blaakeren keek hem wat dom aan. 'Operatie Harlekijn?'

'Ja.'

'Dat… dat weet ik niet. Ik heb nooit van een Operatie Harlekijn gehoord.'

De Cock trok zijn wenkbrauwen omhoog. 'Maar waarvoor,' riep hij kriegel, 'had Jan Brets jou dan nodig?' 'Voor de handel, als er iets afgestoten moest worden. Ik heb relaties, relaties die kopen en niet vragen. Jan wist dat. Ik had wel eens spulletjes voor hem verpatst.' Hij keek De Cock trouwhartig aan.

'Ziet u, ik ben niet nieuwsgierig. Vroeger wel, maar dat ben ik vergeten. Ik vraag nooit meer wat. Het is als snees[1] niet goed als je van de hoed en de rand weet. Geloof me, ik weet liever niets, dan kan ik mijn mond ook niet voorbijpraten.' De Cock glimlachte.

'Maar,' probeerde hij nog, 'Jan Brets kwam regelmatig bij jullie op bezoek.'

Freddy plooide zijn gezicht in een droeve grijns. 'Niet voor mij, niet voor zaken, maar voor Cynthia. Die schoft. Hij wist dat ik al twee jaar met het kind was verloofd en trouwplannen had.'

Hij wachtte even en haalde zijn schouders op.

'Je mag niemand zo'n dood wensen, je ergste vijand niet, maar Jan Brets kwam het toe. Hij vroeg er eenvoudig om. Ik weet niet wie hem nu te pakken heeft gehad, ik bezweer het u, ik weet het niet. Maar het was toch gebeurd, vandaag of morgen.'

De Cock knikte. Daarna stond hij langzaam van zijn stoel op en liep naar de kapstok.

'Kom,' zei hij, 'we gaan.'

Vledder keek hem verbaasd aan.

'We gaan?'

De Cock knikte.

'Trek je jas aan en neem Freddy bij de arm.' Ze verlieten de recherchekamer en liepen door de lange gang naar de trap. Beneden groetten ze de wachtcommandant en stapten het bureau uit. Via de Oudebrugsteeg liepen ze naar het Damrak. Daar bleef De Cock staan.

'Breng Freddy,' gebood hij, 'naar hotel Dupont en zeg tegen de eigenaar dat het goed is.' 'En jij?'

De Cock glimlachte vermoeid.

'Ik ga naar huis. Te voet. Ik geloof dat ik behoefte heb aan wat frisse lucht.'

Hij wuifde en liep van hem weg.

Vledder en Van Blaakeren keken hem na.

Over het brede trottoir slenterde hij in de richting van de Dam, slordig, als een boemelaar, halfwaggelend met zijn oude hoed nonchalant achter op zijn hoofd.

Hij keek niet om.

Загрузка...