3

De Cock hield de tijd nauwlettend in het oog. Hij merkte dat het voortdurend opkijken naar de grote elektrische klok in de recherchekamer iets dwangmatigs had. Hij wist niet hoe het kwam. Telkens opnieuw dwaalde zijn blik naar die traag voortglijdende secondewijzer. Hij kon het eenvoudig niet laten. Gedreven door datzelfde onberedeneerde gevoel had hij al een uur van tevoren de klok aan de hand van de telefonische tijdmelding gecontroleerd en ook zijn horloge gelijk gezet. Om de een of andere duistere reden had hij de stellige overtuiging dat de tijd belangrijk was; belangrijk voor Pierre Brassel. Een paar seconden voor acht uur klonken er voetstappen in de lange smalle gang naar de recherchekamer en even daarna verscheen op het geribde glas van de deur een onduidelijk schaduwbeeld.

De beide rechercheurs keken zwijgend toe. Vledder wat wrevelig. De Cock vol gespannen verwachting. Een arm van het schaduwbeeld ging omhoog en tikte zachtjes tegen het glas. De Cock riep: 'Binnen.'

Na een korte aarzeling ging de deur open en een lange, magere, niet onknappe man, stapte binnen. De eerste indruk was wat verwarrend. Zijn verschijnen had iets dualistisch, als een protestants diaken op een doordeweekse dag. Hij droeg een lange, sombere donkere jas, maar de parelgrijze das die er nonchalant bovenuit bolde, gaf aan zijn voorkomen toch ook iets zwierigs, iets werelds. Wat verder aan hem opviel was een hoog voorhoofd dat door een al wat terugwijkende haardos nog een extra accentje kreeg. Om zijn wat weke mond met smalle lippen speelde een haast spottende grijns.

'Ik heb een afspraak,' zei hij met een wat volle aa, 'een afspraak om acht uur.' Hij wierp een blik op de grote elektrische klok aan de muur. 'Ik zie tot mijn genoegen dat ik precies op tijd ben. Mijn naam is… Pierre Brassel.' Hij annonceerde zichzelf als een conferencier het volgende nummer. De Cock keek hem enige ogenblikken onderzoekend aan en trachtte de verwarrende impressie die de bezoeker op hem had gemaakt te analyseren. Het lukte niet. De verwarring bleef. Traag stak hij hem een hand toe. 'De Cock,' zei hij wat afwezig, 'De Cock met ceeooceekaa.' Hij wees naar zijn jonge collega. 'En dat is rechercheur Vledder, mijn onvolprezen hulp.' Pierre Brassel grijnsde opnieuw en De Cock bood hem een stoel voor zijn bureau aan.

De eerste schermutselingen verliepen in een rustige sfeer. Het was aanvankelijk niet meer dan een wederzijds aftasten in een vriendelijk nietszeggend woordenspel, volgepropt met uitgesleten beleefdheidsfrasen. Er kwam pas enige emotie, toen de jonge Vledder losjes opmerkte dat de recherche eigenlijk geen tijd had voor grappige briefjes en dat de politie echt niet behoorde tot de instellingen, gesticht ter bevordering van de publieke vermakelijkheid. Daarvoor, zo meende hij, waren andere instanties. De opmerking trof doel.

De ogen van Pierre Brassel begonnen vervaarlijk te flikkeren. Hij spreidde zijn armen in een theatraal gebaar uit. 'Maar mijne heren,' riep hij geërgerd en met een ondertoon van pure verbazing, 'u hebt mijn briefje toch hopelijk niet als een eenvoudige grap beschouwd? Nee toch? Het idee zou voor mij ondraaglijk zijn. Het zou voor mij als het ware een belediging inhouden, een pure belediging. Ik ben geen charlatan.' Vledder grijnsde breed.

'Nee,' vroeg hij halfspottend, half uitdagend, 'geen charlatan?' De heer Brassel stond geagiteerd op. De vraag van Vledder had hem zichtbaar gekwetst. De verontwaardiging leek niet gespeeld, ze was echt. Op de wangen van Brassel lagen hoogrode blosjes. 'Dit is gewoon het toppunt,' riep hij kwaad. 'Ik ben hier niet gekomen om mij onheus te laten bejegenen. Ik heb u geschreven over een zaak die, zoals ik aanneem, de recherche ter harte gaat. Ik wilde de zaak met u bespreken en u hebt mij een onderhoud toegestaan. Dit alles binnen de vormen van de burgerlijke beleefdheid. Er bestaat voor u geen enkele reden om… ' De Cock stak afwerend zijn hand op.

'Gaat u weer rustig zitten, heer Brassel,' zei hij sussend. 'Ik vraag u verontschuldiging en begrip voor mijn jonge collega. Het lijkt hem nu eenmaal een dwaas idee dat een intelligent man zich tot de recherche wendt met de mededeling dat hij het oprechte voornemen koestert om een moord te plegen.' Pierre Brassel plooide zijn lippen tot een innemende glimlach. 'Uw collega,' zei hij op rustiger toon, 'is niet alleen jong en tactloos, hij heeft bovendien te weinig fantasie.' De Cock keek hem aan, het hoofd een beetje schuin. 'Hoezo?' vroeg hij belangstellend. Brassel slaakte een zucht en ging weer zitten.

'Hoe zal ik u dat uitleggen,' begon hij aarzelend, zoekend naar woorden, 'kijk, als u van plan bent om heesters of bloemen in uw tuin te planten en u weet niet welk jaargetijde daarvoor het best geschikt is, dan vraagt u inlichtingen aan een tuinman of bloemist. Logisch, niet waar? Dat zijn vakmensen.' Hij lachte op een innemende manier en gebaarde met een slanke hand in de richting van De Cock. 'Wel, nu heb ik het plan opgevat om een moord te plegen en aan wie vraag ik dus inlichtingen?' Hij keek glunderend rond, als verwachtte hij uit het aandachtig auditorium een spontaan antwoord. 'Natuurlijk aan de beroemde rechercheur De Cock, expert in moordzaken.' Er viel een stilte.

De Cock staarde onderzoekend naar het glimmende, glunderende gezicht van Pierre Brassel en trachtte daarvan de scherts te lezen. Die was er niet. Hij ontmoette slechts een paar sluwe, waakzame ogen die zorgvuldig de reactie peilden die zijn betoog had teweeggebracht. Die reactie was er. Vledder keek Brassel met grote verbaasde ogen aan en De Cock slikte iets weg. Het duurde geruime tijd voor hij zijn spraak had hervonden. 'Ik geloof,' zei hij fel, 'dat u een ernstige vergissing begaat. Uw benadering is niet juist. U gaat van een verkeerde basis uit. Ik ben namelijk geen expert in het plegen van moorden. Ik tracht ze slechts op te lossen, ik bedoel, de daders te vinden, achteraf, wanneer de moorden eenmaal door anderen zijn gepleegd. Begrijpt u?'

De heer Brassel knikte heftig en toonde hem een rijtje hagelwitte tanden.

'Ja juist,' riep hij enthousiast, 'volkomen juist. Dat is nu precies het waarom van mijn, in uw ogen bespottelijk, briefje, u hebt ervaring met moorden. U kunt achteraf altijd precies zeggen welke fouten de moordenaar heeft gemaakt en waarom zou ik geen gebruik maken van uw kennis om die fouten te vermijden?' Hij verschoof iets op zijn stoel en zuchtte diep. 'Kijk eens rechercheur,' zei hij volkomen ernstig, 'u gaat en kunt ook pas aan het werk gaan, nadat ik mijn daad heb volbracht. Eerder niet. En dat is voor mij in feite te laat. Ik kan dan niets meer aan de situatie veranderen. Vanaf dat moment zijn u en ik vijanden. Een normaal openhartig gesprek is dan niet meer mogelijk omdat dan onze belangen, hoe zal ik dat zeggen, niet meer gelijk gericht zijn. Maar zoals de situatie nu is, ik bedoel in deze voorfase, kunnen we toch… ' Hij maakte zijn zin niet af en scheen zich een tijd lang ergens over te beraden.

'De Cock,' zei hij na een poosje en zijn stem had een vastere klank: 'Ik doe u een oprecht voorstel. U vertelt mij welke fouten ik bij mijn moord per se moet vermijden en ik lever mijzelf aan u als dader uit.'

Hij glimlachte charmant.

'Een soort gentlemen's agreement!

Hij pauzeerde even. Toen De Cock niet reageerde, ging hij verder. 'In feite hebt u mijn deel van de overeenkomst al in handen. Ik heb mijzelf al aan u uitgeleverd. Alleen de moord heb ik nog niet begaan. U begrijpt, daar gaat het mij om, de reden van mijn voorstel: ik wil een perfecte moord.'

De Cock wreef met zijn hand over zijn breed gezicht. Tussen zijn vingers keek hij naar Brassel. Hij zat daar als een man die na een spelletje poker zijn kaarten heeft blootgelegd. 'Ik geloof,' zei De Cock wat loom, 'dat ik u wel begrijp. U verwacht van mij als expert een handleiding voor moord, een soort recept.' 'Inderdaad.'

'Een deugdelijk recept met ingrediënten, dat u straffeloosheid garandeert?'

Brassel knikte verheugd.

'Precies.'

De Cock schoof zijn onderlip vooruit.

'En dan mag ik gerust weten dat u het was die de moord pleegde.' Zijn stem droop van zoet sarcasme. 'Zo bedoelt u het toch? Brassel lachte vriendelijk. 'Inderdaad, zo bedoel ik het.'

'Dat lijkt mij,' zei De Cock grijnzend, 'dat lijkt mij een wat eenzijdige overeenkomst. Want wat heb ik eraan als ik, als rechercheur, al weet dat u de moord pleegde, wanneer ik door uw perfecte uitvoering dankzij mijn recept, nooit het bewijs van uw schuld zal kunnen leveren? Niets, totaal niets. Ik heb dan wel een dader, maar ik zal hem nooit aan de justitie kunnen uitleveren.' Pierre Brassel schonk hem zijn innemendste glimlach. 'U bent schrander, rechercheur. U hebt gelijk, ik wil slechts straffeloosheid.' Hij haalde nonchalant zijn schouders op. 'Begrijpelijk, vindt u niet? Ik ben nog betrekkelijk jong, heb een lieve vrouw, schatten van kinderen en een goede positie. Het zou toch te dwaas zijn dat alles te verliezen voor een moord die toch eigenlijk niet meer is dan een wat verlate… ' Hij stokte plotseling en begon wat verlegen te glimlachen. Voor het eerst leek het alsof hij iets van zijn zelfbeheersing had verloren. De Cock keek hem uitdagend aan. 'Een verlate wat?'

Brassel streek met zijn handen langs zijn slapen. 'U zult het zien,' zei hij wat loom. 'Geloof me, u zult het zien. Het heeft geen zin om nu al op de feiten vooruit te lopen.' Er viel opnieuw een stilte.

Vledder die schuin achter Brassel tegen de muur stond geleund, wees betekenisvol naar zijn voorhoofd. Het ontging De Cock niet. Hij zuchtte eens diep en richtte zijn volle aandacht weer op Brassel. 'U bent,' zei hij gelaten, 'dus werkelijk van plan een moord te plegen?'

'Ja, dat ben ik, ook als u mij geen recept geeft. Ik heb het u toch duidelijk geschreven, het tijdstip en de plaats van de moord staan al vast. Daar is niets meer aan te veranderen.' De Cock boog zich iets naar voren en keek Brassel enige tijd onderzoekend aan.

'Nu in ernst,' zei hij na een poosje, 'u hebt toch geen moment geloofd dat ik u werkelijk zou helpen bij het plegen van een moord?' Pierre Brassel keek op en schudde zijn hoofd. Een droeve glimlach gleed over zijn knap gezicht. 'Nee,' zei hij bijna triest, 'dat heb ik ook geen moment geloofd.' De Cock fronste zijn wenkbrauwen. 'Waarom schreef u dan dat briefje?'

Pierre Brassel antwoordde niet. Hij stak zijn linkerarm iets naar voren, schoof de mouw van zijn colbertje terug en keek nadrukkelijk op zijn horloge.

'Waarom,' herhaalde De Cock geprikkeld, 'schreef u mij dan dat briefje?'

Brassel negeerde de vraag volkomen. Hij bleef op zijn horloge kijken, onafgebroken. Na een paar seconden stond hij langzaam op, keek van De Cock naar Vledder en terug. Zijn gedrag leek op dat van een tafelredenaar aan het begin van een lang voorbereide speech. 'Mijne heren,' sprak hij op haast plechtige toon, 'in kamer eenentwintig van het hotel Het Wapen van Groenland, hemelsbreed nog geen driehonderd meter hier vandaan, ligt het lijk van ene Jan Brets.'

'Wat?'

Pierre Brassel grinnikte.

'Jan Brets,' zei hij haast opgewekt, 'met een ingeslagen schedel.' Hij gebaarde naar de telefoon op het bureau van De Cock. 'Belt u maar,' zei hij vriendelijk uitdagend, 'hotel Het Wapen van Groenland, of stuur een van uw wakkere mannen om het te controleren.'

De ogen van De Cock vernauwden zich. 'Is dit een grap?' vroeg hij fel. Brassel keek hem wat treurig aan.

'Het schijnt,' zei hij hoofdschuddend, 'dat het u moeilijk valt mijn woorden ernstig te nemen. Is het wel?' De Cock beet op zijn onderlip en staarde naar die vreemde man voor hem. Hij trachtte diens gedachten te peilen en stuitte opnieuw op die wonderlijke scheidslijn tussen ernst en luim waarop Brassel voortdurend balanceerde. Het bracht hem een moment in de war, verstoorde zijn zekerheid. De aarzeling duurde slechts kort. 'Vledder,' gebood hij, 'bel Het Wapen van Groenland.'

De drie mannen stonden rond het toestel. Vledder draaide het nummer. Het ratelen van de teruglopende kiesschijf was het enige geluid. Het gezicht van De Cock stond ernstig. Om de lippen van Pierre Brassel speelde een zwakke glimlach en in zijn lichtgrijze ogen blonk een glans van triomf. De Cock luisterde mee, zijn oor dicht aan de hoorn. 'Hier,' hoorde hij een stem, 'met de portier van het hotel Het Wapen van Groenland.'

'Met de recherche,' antwoordde Vledder, 'van het politiebureau aan de Warmoestraat. Kunt u mij zeggen welke gast er op kamer eenentwintig logeert?'

'Een ogenblikje, even kijken in het register, dat is… eh, de heer Brets.'

'Leeft hij nog?'

'Wat zegt u?'

'Leeft die Brets nog?'

Er klonk een licht gegrinnik aan de andere kant van de lijn. 'Ik heb hem om acht uur de sleutel van zijn kamer gegeven.' 'Dat was om acht uur. Maar leeft hij nu nog?' 'Dat zal wel.'

Vledder zuchtte. 'Als het u niet te veel is, dan had ik graag dat u even in zijn kamer ging kijken.'

'Goed, goed, als u dat wilt, een ogenblikje dan.'

De Cock keek onderwijl naar de klok in de recherchekamer.

Het was kwart voor negen.

Het duurde precies vier minuten voor de portier van het Wapen van Groenland aan het toestel terugkwam.

'Recherche, recherche.'

De stem klonk angstig, verward.

'Ja?'

'Die Brets… die Brets is dood.'

Загрузка...