4

Pierre Brassel stapte naar de deur.

'Ik vermoed zo,' zei hij met een hoffelijk handgebaartje, 'dat de heren voorlopig wel geen tijd meer voor mij zullen hebben. Het is jammer, misschien tref ik het een andere keer beter.' Hij maakte aanstalten de recherchekamer te verlaten. 'Ik wens de heren in ieder geval veel succes bij hun onderzoek.'

Het leek alsof Vledder ineens uit een verdoving ontwaakte. Hij sprong wat onbesuisd op Brassel toe en greep hem aan de arm vast.

'U gaat niet weg,' zei hij hoofdschuddend, 'nee, u gaat zo niet weg. Geen denken aan. U zult toch eerst een paar vragen beantwoorden over deze moord. U weet er blijkbaar heel wat van.' De lange statige Brassel, nogal abrupt in zijn gang naar de deur gestuit, stak waarschuwend een vinger op. 'U hebt niet het recht mij zo vast te pakken.' In zijn stem klonk een lichte dreiging. 'U hebt evenmin het recht mij hier te houden. De portier en misschien ook wel ander personeel van Het Wapen van Groenland zal u kunnen vertellen dat Jan Brets om acht uur nog gezond, althans met een gave schedel het hotel binnenstapte. De portier zal u verder kunnen vertellen dat hij hem de sleutel gaf en dat Jan Brets opgewekt naar zijn kamer verdween.' Hij grijnsde breed, een beetje vals.

'En verder mag ik de heren wel even in herinnering brengen dat ik vanaf klokslag acht uur voortdurend onder uw hoede ben geweest.' Hij grijnsde opnieuw, spottend, uitdagend, met een twinkeling van plezier in zijn ogen. 'Wat wilt u? Een beter alibi voor een moord kan niemand zich wensen.' Vledder liet de arm van Brassel los, maar vatte daarna onmiddellijk post bij de deur. Hij stond daar als een ongenaakbare Cerberus. Op zijn jongensachtige gezicht lag een grimmige, bijna onverzettelijke uitdrukking. Het leek er niet op dat hij Pierre Brassel ongehinderd zou laten passeren. 'Hoe wist u,' blafte hij hem toe, 'dat die Jan Brets vanavond in het hotel Het Wapen van Groenland zou worden vermoord? Wie heeft u dat zo precies verteld? Hoe komt u aan die wijsheid?' De heer Brassel zuchtte verveeld.

'U verknoeit uw tijd,' zei hij loom. 'Ik heb u toch al duidelijk gemaakt, dat ik de moordenaar niet ben. Wat wilt u dan nog meer?' Hij grinnikte geniepig. 'Wilt u misschien van mij weten wie die Jan Brets dan wel vermoordde?' Vledder knikte met samengeknepen lippen.

'Ja,' siste hij tussen zijn tanden, 'precies, dat zou ik van u willen weten.'

Brassel wiegde met het hoofd heen en weer. Van zijn knap gezicht straalde pure verachting. 'Maar mijne heren toch,' riep hij meewarig, 'waar is uw beroepstrots? Ik neem toch aan dat u zelf de moordenaar van Jan Brets zult willen vinden.' Zijn stem was geladen van sarcasme. 'De beroemde rechercheur De Cock weet toch hoe hij dergelijke zaken moet aanpakken! Heel simpel, niet waar? Let op de fouten achteraf.' Hij pauzeerde en keek demonstratief op zijn horloge. 'Het spijt mij verschrikkelijk. Ik heb nu echt geen tijd meer. Ik moet weg.'

Hij putte zich nog een poosje uit in verontschuldigingen en wendde zich ten slotte tot Vledder: 'Als meneer nu even opzij zou willen gaan.'

Het gezicht van de jonge Vledder liep rood aan. Hij stond nog steeds met zijn brede rug voor de deur en scheen niet van plan te wijken. De Cock stond zuchtend van zijn stoel op. Hij kwam langzaam achter zijn bureau vandaan en liep op Vledder toe. 'Kom Dick,' gebood hij vriendelijk, 'laat meneer passeren. Je hebt het toch gehoord, meneer heeft geen tijd meer. Hij moet weg. We mogen hem onze gastvrijheid ook niet opdringen.' Hij glimlachte vergenoegd. 'Nog niet. Misschien een volgende keer.' Vledder stapte mokkend opzij, een blik van haat in zijn ogen. Pierre Brassel verliet hoffelijk buigend de recherchekamer. De Cock hield beleefd de deur voor hem open.

Jan Brets lag er potsierlijk bij.

Hij lag op zijn rug met wijd uitgestrekte armen en benen. Het was alsof hij met zijn lichaam een zo groot mogelijk gedeelte van de kamer had willen bedekken. Zo lag hij daar, vreemd, met enigszins opgeheven, schuinweggetrokken knieën. Hij leek zo nog het meest op een levensgrote houten harlekijn waarvan alle touwtjes waren strakgetrokken. Het zou De Cock niets hebben verbaasd wanneer plotseling de armen en de benen weer zouden zijn gaan bewegen, ritmisch, omdat iemand de touwtjes bewoog, zo indringend was het beeld van de harlekijn.

Het wasbleke, haast witte gezicht van Jan Brets lag verstard in een grijnzende, halfverbaasde uitdrukking, alsof hij het niet begreep, alsof zijn eigen plotselinge dood een kostelijke grap was waarvan hij zelf de pointe nog niet snapte. Het gehele beeld was dwaas, grotesk, maar niet luguber of angstaanjagend. De dood presenteerde zich mild, zonder afschuw. Bij een oppervlakkige beschouwing waren aan het lichaam zelfs geen uiterlijke tekenen van geweld te zien. Alleen uit het linkeroor liep een klein straaltje bloed naar een reeds geronnen plasje op de vloer. Dat was alles. 'Zo precies, vond ik hem,' zei de nog natrillende portier van Het Wapen van Groenland. 'Dat was dan na uw, ik mag wel zeggen, hoogst merkwaardig telefoontje.' De Cock knikte.

'Dat mag u zeggen,' zei hij gelaten. 'Ik hoop alleen dat u niets hebt aangeraakt.'

De portier schudde heftig het hoofd.

'Nee, nee rechercheur, ik heb niets aangeraakt. Niets. Nou ja, behalve de deur dan. Maar dat kon ik natuurlijk moeilijk vermijden. Dat moest wel. Verder dan de deur ben ik niet geweest. Ik heb eerst geklopt, een paar maal wel. Pas toen ik geen antwoord kreeg, heb ik de kamerdeur opengemaakt.'

'En?'

'Toen zag ik hem liggen.'

'Dood?'

De portier keek De Cock met grote ogen aan. Hij wees wat aarzelend naar de vloer. 'Zo, zoals hij daar ligt.' Zijn grote adamsappel klokte op en neer en zijn vingers friemelden nerveus aan de koperen knopen van zijn uniform. 'Hij… eh, hij is toch wel echt dood?' De rechercheur tuitte de lippen en knikte. 'Nu wel.' De portier slikte. 'Bedoelt u dat hij toen nog leefde?' 'U hebt niet aan het lijk gevoeld, ik bedoel, u hebt niet gecontroleerd of de man nog leefde? Zijn pols gevoeld, gehoord of hij nog ademde?'

'Nee.'

De Cock glimlachte om het beteuterde gezicht van de portier. Hij legde vertrouwelijk een hand op zijn schouder.

'Er was toch niets meer aan te redden geweest,' zei hij geruststellend, 'maakt u zich daarover maar geen gewetensbezwaren.' Hij schonk hem een bemoedigend lachje. 'Maar nu heel wat anders. Was de kamerdeur bij uw komst op slot?' 'Nee.' De portier dacht even na. 'Nee, de deur was niet op slot. Ik kon haar zo openen.' 'U hebt een passe-partout?'

'Ja.'

'Wie nog meer?'

'Praktisch elk lid van het bedienend personeel heeft een passe-partout. Voor het schoonhouden van de kamers, het verschonen van het beddengoed en dat soort dingen meer. Uiteraard mag het personeel niet zomaar van de sleutel gebruik maken. Er wordt altijd eerst geklopt, tenzij men weet dat de kamer niet is bezet.' De Cock knikte.

'Hoeveel van die sleutels zijn er?'

'Een twintigtal.'

'En is er precies bekend wie er reglementair zo'n sleutel in zijn bezit heeft?'

'Natuurlijk.'

'Mooi, mooi,' mompelde De Cock, 'over ongeveer een halfuurtje zou ik graag met al die passe-partoutbezitters een praatje willen maken. Verzamel ze maar beneden in de leeszaal.' Hij schoof zijn hoedje wat naar achteren. 'Voorlopig kunt u ons wel alleen laten. O ja, ik had ook nog graag een lijst met de namen van de gasten en een volledige opgave van de kamers, liefst met een plattegrond van deze etage.' De portier boog.

'Zeker,' sprak hij onderdanig, 'Zeker, dat zal wel gaan. Het komt allemaal voor elkaar. Ik zal er onmiddellijk voor gaan zorgen.' Hij keek even vragend op. 'En kan ik de heren eventueel nog verder ergens mee van dienst zijn?' De Cock grijnsde om de zorgzame bereidwilligheid. 'Als er straks,' zei hij vriendelijk glimlachend, 'twee stijve heren in donkere jassen met zware leren tassen het hotel binnenstappen… '

'Ja…?'

'Heet ze dan namens mij, rechercheur De Cock, hartelijk welkom en laat ze onmiddellijk naar de kamer van de moord brengen. Die heren zijn namelijk 's werelds grootste experts in het fotograferen van lijken en het nemen van vingerafdrukken.' 'O,' zei de portier.

'Ja,' zei De Cock. 'En mochten er onverhoopt luitjes van de pers komen opdraven, laat ze dan niet verder komen dan de portiersloge. Begrepen?' De portier tikte aan zijn pet.

'Heel mooi,' zei De Cock en deed de deur van kamer 21 achter zich dicht.

Vledder scharrelde al een poosje op de plaats van het misdrijf rond. Hij had de sluitingen van de deuren naar het balkon geïnspecteerd en deed nu opmetingen om de juiste ligging van het lijk later in een situatietekening te kunnen weergeven. Toen De Cock binnenkwam, wees hij hem op een hockeystick die in de hotelkamer achter de deur op de vloer lag. Het was een wat vreemd model hockeystick. Niet alleen het gedeelte dat normaal in de hand wordt gehouden, maar ook de onderkant, de slagkant, was met breed band omwikkeld. Het band aan de slagkant was nieuw, kennelijk later aangebracht. De Cock nam een schone zakdoek uit zijn broekzak en tilde de stick aan het uiteinde, tussen duim en wijsvinger op. Het ding gleed bijna tussen zijn vingers vandaan, zo zwaar was het. De Cock floot tussen zijn tanden.

'Allemensen,' riep hij verbaasd, 'die stick is aan de onderkant verzwaard. Het lijkt waarachtig wel of ze aan de slagkant repen lood hebben bevestigd. Je kan het zo niet zien, maar ik verwed er mijn salaris onder dat het band aan de onderkant alleen maar dient om repen lood of iets dergelijks op hun plaats te houden.'

Hij schudde verbijsterd het hoofd.

'Het is zo een machtig wapen geworden,' grinnikte hij, 'uitstekend geschikt voor het inslaan van schedels en dergelijke.' Hij bekeek het van alle kanten.

'Weet je Vledder,' zei hij na een poosje, 'volgens mij is deze moord al heel lang voorbereid. Het is het product van een weloverwogen, tot in de details uitgewerkt plan. Kijk maar eens naar deze hockeystick. Het nieuwe band is uiterst zorgvuldig aangebracht. Daar zijn, zo te zien, heel wat avondjes huisvlijt aan besteed.' Hij zuchtte bedroefd.

'Als je mij vraagt is er met veel liefde en toewijding aan gewerkt. De moordenaar, wie hij ook mag zijn, schepte kennelijk al behagen in de voorbereiding.'

De jonge Vledder gaf geen commentaar op de overpeinzingen van zijn leermeester. Het scheen hem niet te interesseren. Hij deed wat stug en op zijn gezicht lag een norse, haast onwillige trek. Het ontging De Cock niet. Hij legde de stick terug op de plaats waar hij hem gevonden had en liep op Vledder toe.

'Wat is er Dick?' vroeg hij vriendelijk. 'Ben je niet tevreden met de gang van zaken?'

Met de duimstok in zijn hand stond Vledder op.

'Nee,' zei hij wrevelig, 'ik ben helemaal niet tevreden. Helemaal niet. Ik ben van mening dat je een grote fout hebt gemaakt.'

De Cock maakte een hulpeloos gebaartje.

'Ik ben mij eerlijk gezegd van niets bewust.' Het klonk als een verontschuldiging. 'Zeg me, wat heb ik verkeerd gedaan?'

'Je had die Pierre Brassel nooit zo zonder meer mogen laten vertrekken.'

De oude rechercheur zuchtte diep.

'Zo,' zei hij gelaten, 'zit dat je dwars. Dat dacht ik al. Ik meende daar straks op het bureau al iets van te zien.' Hij streek met zijn hand langs zijn breed gezicht en stak daarna een wijsvinger waarschuwend omhoog. 'Leer één ding van mij, Dick, wees als rechercheur altijd voorzichtig met intelligente mensen. Ze bezorgen je veel meer last dan domme, geloof me. Pierre Brassel is intelligent, veel intelligenter dan jij denkt. Hij weet deksels goed wat hij doet. En als wij zijn bedoelingen of de achtergronden van zijn handelen nog niet snappen is dat onze schuld. Dan is dat een gebrek aan inzicht waarvan wij alleen onszelf maar een verwijt kunnen maken en niet onze vriend Brassel.'

'Daar gaat het niet om,' riep Vledder fel. 'Dat is helemaal geen punt. We hadden hem gewoon vast moeten houden en net zo lang moeten verhoren tot hij ons precies had verteld wat hij wist.' De Cock keek zijn leerling een tijdje peinzend aan, diepe rimpels in zijn voorhoofd.

'Ik geloof niet,' zei hij wat aarzelend, 'dat je iemand mag dwingen iets te zeggen wat hij per se niet zeggen wil. Het is een ethische kwestie met grenzen die door iedere politieman zelf moeten worden bepaald.' Hij zweeg even. 'Maar om tot de kern te komen: noem jij mij eens de wettelijke gronden waarop wij Pierre Brassel tegen zijn wil hadden kunnen vasthouden?' 'Hij wist van deze moord af.' De Cock knikte bedaard. 'Zeker, dat blijkt uit alles. En verder?' Vledder keek hem verbaasd aan.

'En verder? Als we hem al geen medeplichtigheid ten laste hadden kunnen leggen, dan berustte op hem in ieder geval de verplichting de politie te waarschuwen, hoe staat het ook weer in ons wetboek, op een tijdstip dat de daad nog kon worden voorkomen. Dat heeft hij niet gedaan. Terwijl hij bij ons in de recherchekamer smoeltjes trok en allerlei nonsens uitkraamde, liet hij hier in deze hotelkamer het slachtoffer rustig vermoorden.' De jonge Vledder wond zich steeds meer op. Het bloed steeg naar zijn hoofd. Zenuwgolfjes trilden over zijn wangen. 'Verdomme nog an toe!' riep hij uit. 'Hij wist toch dat het zou gebeuren. Kamer eenentwintig hotel Het Wapen van Groenland, Jan Brets met ingeslagen schedel. Hij wist het verdomme zo goed alsof hij het zelf had gedaan.'

'En kan dat?' vroeg De Cock ernstig. 'Kan Pierre Brassel deze Brets hebben vermoord?' Vledder zuchtte.

'Nee,' zei hij onwillig, 'tenminste, als de portier de waarheid spreekt en hij die Jan Brets inderdaad om acht uur nog in leven heeft gezien.' De Cock knikte.

'Juist,' zei hij, 'als we daarvan uitgaan, en mogelijk vinden we nog andere getuigen die het slachtoffer na acht uur nog in leven hebben gezien, dan kan Pierre Brassel, hoezeer het jou overigens ook spijt, deze moord niet hebben gepleegd. Ik heb in deze hotelkamer ook geen ingenieuze apparatuur voor afstandsbediening gevonden. De hockeystick werd heel orthodox gehanteerd. Ik bedoel, iemand heeft hem met beide handen opgenomen en Brets neergeslagen en die iemand kan Brassel niet zijn geweest.'

Hij legde vaderlijk een hand op zijn schouder. 'Maar verder heb je volkomen gelijk, Brassel wist dat deze moord gepleegd zou worden. Op hem rustte inderdaad de wettelijke verplichting om te waarschuwen: de politie of het slachtoffer.'

Vledder keek hem vragend aan. 'Wat bedoel je?'

'Wel, precies wat ik zeg: de politie of het slachtoffer. De wet biedt namelijk beide mogelijkheden. Pierre Brassel is ook niet strafbaar wanneer hij het slachtoffer heeft gewaarschuwd. Uiteraard vooraf.' Vledder gebaarde wild.

'Maar De Cock,' riep hij geërgerd, 'het is toch wel duidelijk dat hij ook het slachtoffer niet heeft gewaarschuwd. Anders was dit niet gebeurd.'

De Cock stak afwerend een hand op.

'O, wacht eens even. Daarvoor hebben we geen bewijzen. Het is heel goed mogelijk dat Jan Brets wel een waarschuwing heeft ontvangen, maar dat hij die waarschuwing eenvoudig niet ernstig heeft opgevat. Hij kan het als een grap hebben beschouwd. Herinner je je nog hoe jij op het briefje van Brassel reageerde? Ook jij dacht aan een grap.' Hij schudde zijn hoofd.

'Nee vriend Vledder,' zei hij met een zucht, 'zoals de situatie nu is, kunnen we tegen Brassel niets ondernemen. Iedere rechtstreekse actie zou neerkomen op vrijheidsberoving en dat is een akelig woord.'

Загрузка...