19

Op het hoofdbureau ontvangt Koopmans de twee rechercheurs ditmaal niet in zijn eigen kamer. Ze worden naar een vergaderzaaltje verwezen. Te Velde is weer aanwezig en begroet hen bij de deur. Aan de tafel zit nu ook een in burger geklede man, die zich voorstelt als Tsjernin. Iedereen neemt plaats aan de vergadertafel: Graanoogst en Zijlstra aan de lange kant tegenover Tsjernin en Koopmans, Te Velde aan de korte kant, links van hen.

Over iets te drinken wordt niet gesproken, maar Koopmans begint meteen: ‘Welkom heren, prettig dat jullie op zo korte termijn hebben kunnen komen.’

‘Als het hoofdbureau roept, springen wij direct in de houding,’ verzekert Zijlstra.

Koopmans doet net alsof hij dat niet heeft gehoord en vervolgt: ‘De heer Tsjernin is bij dit gesprek aanwezig namens de douanedienst. Hij is speciaal belast met de controles op de import uit Rusland en Wit-Rusland. Misschien kunt u daar iets over zeggen, collega.’

Tsjernin knikt. Hij legt zijn armen op de tafel en buigt zich wat naar voren. ‘Heren, zoals u misschien weet, heeft de Nederlandse douane een complexe taak. We moeten als poortwachter van de interne Nederlandse markt natuurlijk zorgen voor de controles van goederen die ons land in en uit gaan. Maar we moeten ook letten op alle goederen die een mogelijke bedreiging vormen voor de veiligheid, de gezondheid, de economie en het milieu in ons land.’

‘Dank u, we zijn ons bewust van de taken van de douane,’ zegt Zijlstra droog. ‘Misschien kunt u meteen concreet worden: wat heeft dit allemaal te maken met onze moordzaak?’ Tsjernin kijkt hem rustig aan. ‘Als u me wilt laten uitpraten, wordt dat vanzelf duidelijk.’

Zijlstra wil nog wat terug zeggen, maar Graanoogst legt een hand op zijn arm, dus zwijgt hij.

‘Dank u,’ zegt Tsjernin, waarbij hij de toon van Zijlstra imiteert. ‘Het is belangrijk dat u begrijpt dat wij als douane soms het gevoel hebben dat we in een mijnenveld opereren. We hebben te maken met allerlei juridische, politieke en beleidsmatige regels, die ons soms uit Den Haag, maar vaak ook vanuit Brussel worden opgelegd. En juist doordat de Europese belangen steeds groter worden, worden er voortdurend hogere eisen gesteld aan de controle op de Europese buitengrenzen. Daar doen wij ook aan mee, in nauwe samenwerking met de douaneorganisaties van de andere Europese lidstaten.’

Hij ziet dat Zijlstra weer ongeduldig begint te worden en heft een hand. ‘Ik ben nu bijna aanbeland bij het punt waarom we u gevraagd hebben hierheen te komen. De gezamenlijke Europese douaneorganisaties zijn al meer dan een jaar bezig met een groot, gecombineerd onderzoek naar de import van goederen uit Belarus en Rusland.’ Hij kijkt opzij naar Koopmans. ‘De laatste paar maanden werken wij, als Nederlandse douane, daarbij nauw samen met de eenheid van inspecteur Koopmans, die zich richt op de invloedssfeer van de Russische maffia.’

‘En dat heeft wát te maken met onze zaak?’ wil Zijlstra weten. ‘Daar kom ik nu op,’ verzekert Tsjernin hem. ‘Uw onderzoek naar de moord op…’ Hij kijkt even in zijn aantekeningen. ‘…Anatoli Davidenko en de gegevens die u daarin naar boven hebt gebracht over het bedrijf waarbij hij werkte, heeft de aandacht van Koopmans en de zijnen gericht op de importfirma Ruskolanda.’

‘Precies,’ valt Koopmans hem bij en hij gaat ook naar voren zitten. ‘Met jullie materiaal zijn wij eens verder gaan spitten, en zo kwamen we vanzelf bij de douane terecht. En daar bleek collega Tsjernin al langere tijd bezig te zijn met een eigen onderzoek naar Ruskolanda.’

‘Nou, niet echt “eigen”,’ corrigeert Tsjernin hem haastig. ‘Dat onderzoek is al een tijdlang bezig, vooral in combinatie met onze Duitse collega’s, en recentelijk ook de douanes van de Baltische staten. Ik kan hier niet in details treden, maar het zou voor u voldoende moeten zijn als ik zeg dat er sterke aanwijzingen zijn dat er met de leveranties van met name landbouwmachines en ander zwaar materieel ook goederen de Europese Unie binnenkomen die een gevaar zouden kunnen opleveren voor de veiligheid.’

‘Dan pakken jullie die lui toch aan?’ zegt Zijlstra, met een niet-begrijpende blik.

Tsjernin lacht vreugdeloos. ‘Zo makkelijk gaat dat niet, want we lopen politiek gezien op eieren, vooral met Belarus. De Wit-Russen willen zich op termijn aansluiten bij de Europese Unie, maar er liggen nog allerlei politiek moeilijke punten op het gebied van vrijheid, democratie en mensenrechten.’

‘Hebben ze daar ook niet nog altijd de doodstraf?’ vraagt Graanoogst.

‘Inderdaad, en dat maakt hun positie er politiek gezien niet gemakkelijker op,’ antwoordt Tsjernin. ‘Maar de intentieverklaring voor verdere samenwerking ligt er al jaren, en we zouden heel veel kapotmaken als we te snel en zonder een grondige voorbereiding te werk gingen. Dan zou dit een diplomatieke rel van de eerste orde kunnen worden.’

‘Dit is groot,’ zegt Koopmans, met veel nadruk. ‘Heel groot. Niet alleen wij, maar ook de geheime diensten van diverse Europese staten zijn erbij betrokken. Interpol volgt alles op de voet. En we staan op het punt om een gecoördineerde actie te ondernemen. En daarvan kan ik wel zeggen dat die de internationaal opererende georganiseerde misdaad in Oost-Europa een grote slag zal toebrengen.’

Tsjernin werpt hem een waarschuwende blik toe en ook Te Velde kijkt ongerust.

‘Onnodig te zeggen dat niets, maar dan ook niets van wat hier besproken is deze kamer mag verlaten,’ haast Tsjernin zich daaraan toe te voegen.

‘Begrepen,’ antwoordt Graanoogst. ‘Maar wat betekent dit alles voor het onderzoek naar de moord op Anatoli Davidenko?’ ‘Goede vraag,’ vindt Koopmans. ‘Daarin kunnen we heel concreet zijn: wij vragen van de recherche om bij dit onderzoek de eventuele connecties met de Russische maffia in Amsterdam, maar ook alle mogelijke verbanden met Ruskolanda verder buiten beschouwing te laten.’

‘En daarmee misschien een moordenaar te laten lopen?’ vraagt Zijlstra verontwaardigd.

‘Nee, nee!’ roept Tsjernin geschrokken, met weer een blik op Koopmans. ‘Dat zouden wij natuurlijk nooit van u durven vragen, want dat zou een aanfluiting zijn voor onze rechtsstaat. Wij willen alleen voorkomen dat u ons problemen bezorgt bij de laatste fase van ons grote, gecoördineerde onderzoek. Daarom vragen we om consideratie van uw kant: richt uw onderzoek voorlopig niet op Ruskolanda en de mogelijke banden met de Russische maffia, totdat wij de tijd hebben gehad om onze grootscheepse, gecoördineerde actie af te ronden.’

‘Dat klinkt redelijk,’ zegt Graanoogst, meer tegen zijn partner dan tegen de man tegenover hem. ‘Mochten wij sterke aanwijzingen hebben dat iemand binnen Ruskolanda iets te maken heeft met de moord op Davidenko, dan zullen we het onderzoek daarnaar zoveel mogelijk op afstand houden, om u niet voor de voeten te lopen. Eventueel gaan we zo kort mogelijk na uw grote actie alsnog verder. En voor acties in de richting van de Russische maffia zouden we toch al niets doen zonder voorafgaand overleg met collega Koopmans. Toch, Zijlstra?’ Hoewel hij het overduidelijk niet eens is met de gang van zaken, heeft Zijlstra niet veel andere mogelijkheden dan te zeggen: ‘Dat lijkt me oké, ja.’

‘Moeten we daar geen concretere toezegging over hebben?’ vraagt Te Velde aan Koopmans. ‘Iets op schrift, of in de vorm van een dienstorder?’

Koopmans kijkt nadenkend naar de twee mannen tegenover hem. ‘Nee, ik geloof dat de verschillende partijen hier wel mee kunnen leven. En ik zal alles natuurlijk nog moeten kortsluiten op het niveau van de wederzijdse diensthoofden.’

‘Dat geldt ook voor de douane,’ voegt Tsjernin daaraan toe. Koopmans knikt en staat op. ‘Het was weer prettig om zaken met u te kunnen doen, heren,’ zegt hij tegen de twee rechercheurs. ‘We houden contact, zal ik maar zeggen.’

‘Vanzelfsprekend,’ antwoordt Graanoogst, die zijn stoel achteruitschuift en ook opstaat. ‘Wij willen graag tijdig op de hoogte gehouden worden van uw acties, zeker als Ruskolanda daarbij betrokken is.’

‘Zodat we het niet eerst in de krant hoeven te lezen,’ zegt Zijlstra zuur, voordat ze afscheid nemen.


Op de gang, op weg naar de uitgang, vraagt Zijlstra aan zijn partner: ‘Zijn we hier nu beter of minder op geworden?’

Graanoogst haalt zijn schouders op. ‘Kwestie van terreinen afbakenen. Zo gaat dat in grote organisaties, dat had ik toch gezegd? Nu moeten wij alleen nog even de paaltjes van ons onderzoek verzetten bij Leo. Dan zitten wij goed.’

Zijlstra bekijkt hem hoofdschuddend. ‘Jij met je strategische benadering. Daar word ik nou echt niet goed van.’

‘Jij moet niet zo ongeduldig en opvliegend doen,’ houdt Graanoogst hem voor. ‘Dan ga je niet op andermans tenen staan. Geloof me, zo’n vent als Koopmans wil je binnen het korps liever niet tegen je hebben. Iemand als Ter Schegget eet uit z’n hand. En die kan jou een boel last bezorgen, vriend.’

Dat is waar, beseft Zijlstra. Maar dat geeft hij natuurlijk niet toe. Zwijgend zet hij zijn petje op.

Ze gaan terug naar de Ferdinand Bol. Graanoogst rijdt, een stuk rustiger dan de heenweg.

Загрузка...