De Cock trok het laken terug. Om de verstarde mond van de dode lag nog steeds die vreemde grijns van verwondering. De grijze speurder bleef ernaar kijken. De uitdrukking trof hem opnieuw. Hij had moeite zijn blik ervan los te maken.
De jonge Vledder tilde de linkerarm van Fred Doornekamp wat omhoog. De cijfers werden zichtbaar. Ze stonden aan de binnenkant, in de lengterichting, even onder de pols. 'Een-twee-vijf-zeven-drie,' las hij hardop.
De Cock nam zijn notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbert en schreef het nummer op. Hij borg het boekje weg, liep naar de grote wasbak in de hoek van het lokaal en maakte een punt van een handdoek vochtig. Daarna ging hij terug naar de dode en wreef met de handdoek zachtjes over de cijfers op de arm. Ze vervaagden. De grijze speurder keek naar het blauw, dat op de handdoek achterbleef. 'Ballpoint,' stelde hij vast.
Vledder knikte instemmend. 'Een getal van vijf cijfers,' zei hij peinzend.
De Cock gooide de handdoek in een mand. 'Als het een telefoonnummer is, kunnen we de grote steden in ons land uitsluiten. Die hebben meestal zes of meer cijfers. Blijft de vraag: welk kengetal moet ervoor?' Hij vatte het laken en schoof het weer over het hoofd van de dode. Hij deed het traag, omzichtig, met een gebaar van haast ingetogen piëteit. 'Hoe laat is morgen de sectie?'
'Vier uur in de middag. Dokter Rusteloos kon niet veel vroeger komen. Hij had nog een autopsie in Nijmegen en een in Den Bosch.'
De Cock schoof zijn lippen in een tuitje. 'Dan hebben we morgenochtend nooit tijd voor de herkenning. Het lijkt mij het beste dat Robert Antoine dat doet. Hij heeft al contact met de ouders.'
Vledder deed het licht uit en sloot het sectielokaal zorgvuldig af. Over het brede trottoir liepen ze terug naar de wagen. De Cock trok zijn hoedje wat naar voren. Het regende. Een zachte, miezerige motregen viel op hen neer. Ze stapten in, reden van de Overtoom weg en trokken linksaf de Nassaukade op. De Cock keek naar de zwaaiende ruitenwissers. 'Een-twee-vijf-zeven-drie,' mompelde hij in het ritme. 'Fred Doornekamp zal de plaats wel hebben gekend.'
Vledder keek hem van terzijde aan. 'Je bedoelt, dat hij daarom het kengetal niet noteerde?'
De Cock wuifde voor zich uit. 'Als hij de plaats wist, kon hij het kengetal in elk telefoonboek vinden.'
Vledder snoof. 'We hebben er feitelijk niets aan. Zonder kengetal is het nummer voor ons onderzoek voorlopig van weinig waarde. Je kunt er op korte termijn vrijwel niets mee doen.'
De Cock schoof zijn hoedje tot achter in de nek. 'Colette Maesen is dood,' zei hij somber, 'en Fred Doornekamp is dood. En beiden wisten wie belangstelling voor het kind had.' Hij drukte zich wat omhoog, keek om zich heen en herkende de Rozengracht. 'Ga naar de Oude Zijds Voorburgwal,' zei hij strak.
Vledder keek hem verwonderd aan. 'Wat moeten we daar doen?'
De Cock zakte weer terug. 'Praten,' zei hij loom, 'met de majoor.'
'Goedenavond heren.' De wat hese stem van majoor Bosschaert klonk warm. 'Komen jullie ons Marianne terugbrengen?'
De Cock schudde triest het hoofd. 'Ik weet niet waar ze uithangt. Ik heb alleen een onbestemd gevoel dat ze in moeilijkheden is.'
'Waarom?'
De Cock gebaarde wat vaag. 'We hebben vanmorgen een jongeman, met wie Marianne wel omgang had, vermoord in een zolderkamertje gevonden.'
'Heeft zij daar iets mee te maken?'
De grijze speurder spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar. 'Dat vraag ik mij af.' Hij zweeg even, keek de vrouw voor hem ernstig aan. 'Er is,' begon hij weifelend, 'een wetenschap, noem het een geheim, rondom een kind. Van dat geheim waren… zo is mijn stellige overtuiging, drie mensen op de hoogte: Colette Maesen, een jonge vrouw, verslaafd aan heroïne… Fred Doornekamp, de jongeman, van wie ik u sprak, en Marianne.' Hij zweeg even voor het effect. 'Colette Maesen en Fred Doornekamp hebben beiden, vrij kort na elkaar, op een gewelddadige wijze de dood gevonden…'
Majoor Bosschaert zuchtte. 'Ik begrijp het. U bent bang, dat nu ook Marianne in gevaar verkeert.'
De Cock knikte traag. 'Het is zaak dat we haar zo gauw mogelijk vinden. Ik geloof niet dat ze zich haar situatie bewust is. Ze weet waarschijnlijk ook niet vanwaar het gevaar komt.'
'Weet u het?'
De Cock liet het hoofd wat zakken. 'Ik moet u tot mijn spijt bekennen dat we nog volkomen in het duister tasten.' Hij pauzeerde, keek op. 'Heeft u veel met Marianne gesproken?'
Majoor Bosschaert schudde het hoofd. 'Ik heb niet zoveel contact met haar gehad. Zuster Anneke wel. Zij trok zich het lot van Marianne sterk aan.'
De Cock plukte wat verlegen aan zijn neus. 'Zouden we met zuster Anneke mogen praten?'
Majoor Bosschaert aarzelde en trok een wat bedenkelijk gezicht. 'Het Leger des Heils is in principe geen verlengstuk van de politie. Ik bedoel… als Marianne vertrouwelijke mededelingen heeft gedaan…'
De Cock stak afwerend een hand op. 'Wij willen niemand in verlegenheid brengen. Wij… eh, wij respecteren de grenzen van het geweten. Het gaat ons om kleine zaken: uitlatingen, toespelingen, opmerkingen die voor ons van belang kunnen zijn.'
Majoor Bosschaert gebaarde naar de stoelen in haar primitief kantoortje. 'Gaat u zitten. Ik zal zuster Anneke even voor u roepen.'
Ze liep met grote stappen van hen weg en kwam na een paar minuten terug met een jonge heilsoldate. De Cock schatte haar voor in de twintig. Ze had een vriendelijk open gezicht en een blijde blik uit lichtgrijze ogen.
Majoor Bosschaert wuifde. 'Dat zijn heren van de politie. Ze willen je wat vragen over Marianne.'
De grijze speurder stond op en boog beleefd. 'Mijn naam is De Cock,' sprak hij beminnelijk, 'met ceeooceekaa.' Hij wenkte schuin opzij. 'En dat is collega Vledder, mijn onschatbare hulp.'
Ze nam de rechercheurs nauwkeurig op. Haar blik gleed van De Cock naar Vledder en terug. 'Waarmee kan ik u van dienst zijn?'
De Cock glimlachte. 'Laten we gaan zitten.' Hij vatte een stoel en zette die voor haar neer. 'De majoor vertelde dat u zich het lot van Marianne nogal aantrok, dat u goede contacten met haar onderhield.'
Ze nam omzichtig plaats, de knieën gesloten tegen elkaar. 'Marianne,' zei ze ernstig,'is een boeiend meisje.'
'U sprak veel met haar?'
Zuster Anneke glimlachte. 'Ze sprak meer met mij.'
De Cock keek haar niet-begrijpend aan. 'Is… eh, is dat niet hetzelfde?'
Ze schudde beslist het hoofd. 'Marianne heeft een nogal gesloten karakter,' legde ze geduldig uit. 'Zij verwerkt alle dingen in zichzelf. Ze uit ze niet. Als ik probeerde haar aan het praten te krijgen, boog ze het gesprek onmiddellijk om. In plaats dat ik haar vroeg, vroeg ze mij. In plaats dat zij dingen uit haar leven vertelde, dwong ze mij tot vertrouwelijkheden.'
'Zoals?'
Zuster Anneke verschoof iets op haar stoel en gebaarde vaag. 'Hoe ik dacht over de wereld om mij heen… over God, over mijn ouders, over mannen, over seks…' De Cock knikte begrijpend.
'Heeft ze nooit iets over haarzelf verteld, over iets dat ze had meegemaakt?'
Ze bewoog haar handen in haar schoot. 'Ze is maar kort bij ons geweest.' Het klonk als een verontschuldiging. 'Twee, drie dagen. Marianne was nog niet zover. Vertrouwen tussen mensen moet groeien.'
De Cock boog het hoofd. 'U hebt gelijk,' zei hij ernstig. 'Daar is tijd voor nodig.' Hij gebaarde in haar richting. 'Wat was jouw indruk van haar?'
Ze trok een pijnlijk gezicht. 'Dat is een moeilijke vraag. Marianne had een bewogen leven achter zich. Dat is zeker. Veel teleurstellingen. Ze was ook vaak neerslachtig… alsof er iets was dat haar drukte. Op een morgen zaten we samen aan de koffie. Plotseling zei ze: "heb je wel eens een kind zien verbranden?'"
De Cock slikte. 'Een kind zien verbranden?' herhaalde hij verschrikt.
Zuster Anneke trok een ernstig gezicht en knikte. 'Dat vroeg ze.'
'En toen?'
'Ik zei, nee, gelukkig niet. Toen zei ze: "Het is iets dat je nooit vergeet. Alleen al daarom zou men auto's moeten verbieden.'"
Vledder kwam vanaf het oude gaskomfoortje met twee kommen dampende koffie. Hij zette er een voor zijn oude collega neer. 'Met veel suiker,' zei hij warm. 'Voor jou.'
De Cock keek dankbaar naar hem op. Hij vatte de kom voorzichtig met beide handen en slurpte behaaglijk. Op zijn breed grof gezicht kwamen milde trekken. 'Marianne,' zei hij zacht, nadenkend. 'Wat weten we van haar?'
Vledder ging tegenover hem aan zijn bureau zitten. Hij glimlachte. 'Toen wij van de begrafenis van Colette Maesen terugkwamen, heb je dezelfde vraag gesteld. Ik heb diezelfde morgen nog met Eindhoven gebeld. Ze was daar bij de politie niet bekend. Men had nog nooit van haar gehoord. Ook in het bevolkingsregister van Eindhoven kwam ze niet voor. Er was wel een familie Van Buuren, maar die had geen dochter in die leeftijd.'
De Cock keek verrast naar hem op. 'Dat heb je mij nog niet verteld.' Het klonk bestraffend.
Vledder maakte een hulpeloos gebaartje. 'Ik heb dat niet zo ernstig genomen,' sprak hij verontschuldigend. 'Ik dacht: ik vraag haar persoonlijk wel om opheldering. Ik kon toch niet weten dat ze zomaar zou verdwijnen?'
De Cock beet peinzend op zijn onderlip. 'Ze zei toch dat ze uit Eindhoven kwam?'
Vledder knikte. 'Inderdaad, dat zei ze. Maar misschien heeft ze ons wel misleid. Misschien is zelfs de naam Van Buuren niet juist.' Hij kneep zijn lippen op elkaar en snoof. 'Ik vind haar toch maar een rare griet. Wie danst er nu op een begraafplaats?'
De Cock tuitte zijn lippen. 'Voor mij nog geen reden om Marianneeen rare griet te noemen.'
De jonge Vledder stak uitdagend zijn kin vooruit. 'Voor mij wel,' zei hij scherp. 'Daar komt nog bij… het is feitelijk haar schuld.'
'Wat?'
Vledder gebaarde heftig. 'Alles, de dood van Colette Maesen, de moord op Fred Doornekamp. Het is alles een uitvloeisel van haar plan. Zij bewoog Colette Maesen om aan die rijke kennis van haar geld te vragen.'
De Cock grijnsde breed. 'Op basis van een leugen. De rijke kennis zou de vader van Bonny zijn. We weten nu dat Colette loog. Ze had nooit een kind gebaard.'
Vledder kwam wat wild uit zijn stoel overeind. 'Dat kon die rijke kennis toch niet weten,' riep hij geëmotioneerd. 'Die man kon best in de veronderstelling leven dat uit zijn verhouding met Colette Maesen een kind was geboren.'
De Cock keek naar hem op. Om zijn brede mond danste een zoete lach. 'Bonny?' vroeg hij lijzig. 'Het jongetje van wie hij een foto had?'
'Ja.'
De Cock schudde traag het hoofd. 'Colette Maesen,' zei hij gedecideerd, 'heeft nooit een verhouding gehad. Ik bedoel… niet met de deftig sprekende man van om en nabij de vijfenveertig jaar met charmant grijs aan de slapen, die zich in het café van Smalle Lowietje zo duidelijk presenteerde.'
De jonge Vledder kneep zijn ogen halfdicht. 'Niet?' vroeg hij achterdochtig.
De Cock zuchtte omstandig. 'Ik heb je al meer gezegd… bij het onderhoud met Klaas Karsemeijer ben je niet attent geweest, heb je niet goed geluisterd.' Hij gebaarde in de richting van zijn jonge collega. 'Wanneer ging Colette bij Klaas Karsemeijer weg?'
'Twee jaar geleden.'
'Hoe lang was ze bij hem?'
'Ruim een jaar.'
De grijze speurder knikte instemmend. 'Precies. Hij raapte haar verloederd van de straat en hield haar meer dan een jaar bij zich in huis. Een jaar, waarin hij Colette Maesen, om haar van de verslaving af te helpen, vrijwel dag en nacht bewaakte.' Hij boog zich wat naar voren. 'En hoe oud is Bonny?'
'Anderhalf, twee jaar.'
De Cock glimlachte fijntjes. 'Zie je… als Bonny een kind van Colette Maesen was, dan kon vrijwel alleen Klaas Karsemeijer de verwekker, de vader zijn. Voor een andere verhouding was geen ruimte.'
Vledder keek hem verbijsterd aan. 'Hoe,' zei hij stamelend, 'kwam ze dan aan die rijke man? En waarom reageerde hij op haar oproep?'
De Cock knikte hem bewonderend toe. Hij strekte zijn vinger naar hem uit. 'Dat,' zei hij prijzend, 'zijn twee verstandige vragen.'
'Wat ben je laat?'
Robert Antoine van Dijk plofte op de stoel naast zijn bureau neer. Zijn gezicht zag bleek. Zijn neusvleugels trilden. 'Dat doe ik nooit meer,' sprak hij hijgend. Hij schudde beslist het hoofd. 'Nooit meer.'
De Cock keek hem onderzoekend aan. 'Was het zo erg?'
De jonge rechercheur slikte. 'Ik heb echt mijn best gedaan. Geloof me. Ik probeerde het zo voorzichtig mogelijk te doen. Ik trok een begrafenisgezicht en zei dat er iets was gebeurd… met hun zoon, dat het heel ernstig was. Maar het leek alsof ze mij niet begrepen, niet wilden begrijpen… alsof ik over een ander sprak, een vreemde.' Hij slikte opnieuw. 'Ze staarden mij aan, die twee… dwongen me om alles te zeggen.' Van Dijk tastte naar het hoofd. 'Het was een kwelling. Toen ik hen uiteindelijk de waarheid had verteld, dat hun zoon was vermoord, waren ze niet meer te houden. Vooral de moeder ging te keer. Ze schreeuwde het uit, sloeg met haar hoofd op de tafel. Ik ben in paniek naar de buren gerend.'
'En die hielpen?'
Robert Antoine knikte. 'Lieve mensen,' zei hij zuchtend. 'Ze kenden de familie goed. Met de man heb ik nog even gesproken. Hij was niet eens zo verbaasd. Volgens hem was Fred Doornekamp niet zo'n beste. Hij had zijn ouders altijd veel verdriet gedaan. Er was van alles geweest: affaires met vrouwen, diefstalletjes en kleine verduisteringen bij een werkgever.'
'Aangifte bij de politie?'
Van Dijk schudde het hoofd. 'Volgens de buurman was de politie er nooit in gemoeid. Alles was met de mantel der liefde bedekt. De tekorten waren aangezuiverd en er was niet meer over gesproken.'
De Cock staarde voor zich uit. 'Een goede mantel,' zei hij wat afwezig.
'Wat?'
'De mantel der liefde.'
Op het gezicht van de jongeman verscheen iets van een glimlach. Er kwam ook weer wat kleur op zijn wangen. 'De buurtjes beloofden een oogje in het zeil te houden.'
De Cock knikte begrijpend.
'Die affaires met vrouwen… hadden die gevolgen?'
'Hoe bedoel je?'
'Waren er kinderen?'
Robert Antoine trok zijn schouders op. 'Dat heb ik niet gevraagd. Ik ben op het onderwerp niet onmiddellijk ingegaan. Je moet bedenken… het was een paniekerige situatie. Met de ouders was geen woord te wisselen.'
'En de buurman?'
Van Dijk maakte een mistroostig gebaartje. 'Ik kreeg de indruk dat hij zich na de eerste opwelling een beetje schaamde dat hij zijn mond voorbij had gepraat. Hij ontweek me.'
De Cock plukte aan het puntje van zijn neus. 'Toen je op inlichtingen uit was… bij je vorig bezoek aan de ouders, heb je toen over vrouwen gesproken?'
'Vrijwel niet. Ik heb alleen gevraagd of Fred getrouwd was, of was geweest. Toen zeiden ze "nee" en daarmee was het onderwerp afgedaan.'
De Cock trok een grimas. 'Het is ook voor een man mogelijk om een kind te hebben, zonder getrouwd te zijn.'
Van Dijk keek fronsend naar hem op. 'Je wilt zeggen, dat mogelijk uit een van zijn affaires met vrouwen een kind werd geboren?'
'Inderdaad.'
Robert Antoine schudde resoluut het hoofd. 'Fred Doornekamp had geen kind. Althans geen kind, waarvan zijn oude moeder iets wist. Ze had het mij anders beslist verteld. Ik heb ook nergens een fotootje gezien.'
Vledder kwam tussenbeide. Hij wendde zich tot De Cock. 'Denk je,' vroeg hij met een zweem van achterdocht, 'dat Bonny een kind van Fred Doornekamp is?'
De grijze speurder spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar. 'Bonny is niet van Colette Maesen. Dat is de enige zekerheid, die wij hebben. Verder is alles mogelijk.'
De jonge Van Dijk knikte instemmend. 'De Cock heeft gelijk. Het kind kan zelfs van Marianne zijn.'
Vledder stond geagiteerd op. Op zijn gezicht lag een wrevelige trek. 'Het kind is noch van Marianne, noch van Fred Doornekamp,' riep hij kriegel. 'Het kind is simpel gestolen… om losgeld. Het is een geval van pure kidnapping.'
'Door drie personen?'
'Ja, Colette, Marianne en Fred. Hoe hun onderlinge taken nu precies verdeeld waren, weet ik niet, maar het was een actie van hun drieën.'
Robert Antoine gebaarde in zijn richting. 'En waarom melden de ouders zich niet bij de politie? Er is van een diefstal van een kind niets bekend.'
Vledder zuchtte omstandig. 'Omdat ze bang zijn dat er met hun kind iets gebeurt.' Hij zwaaide betogend met beide armen. 'Het is toch alles volkomen duidelijk. Die drie stelen een kind. Na de diefstal nemen ze contact op met de ouders. Onder bedreiging dat ze het kind iets zullen aandoen, leggen ze hen een zwijgplicht op. Daarna vragen ze een losgeld. Volgens afspraak meldt de vader zich bij Smalle Lowietje. Die stuurt hem door naar het kraakpand aan de Keizersstraat. Daar treft hij Colette Maesen. De onderhandelingen verlopen wat stroef. Er ontstaat onenigheid en…'
'… vader doodt Colette.'
Vledder keek naar zijn oude leermeester.
'Ja… vader doodt Colette. Na zijn daad vlucht hij in paniek. Als Fred Doornekamp later het kind uit het Westerpark onder de hoede van zuster Angelica wegneemt en opnieuw contact zoekt met de ouders, durft de vader zich niet meer te vertonen. Hij stuurt zijn vrouw naar de zolderkamer in de Haarlemmerstraat. De onderhandelingen verlopen wat stroef en…'
Vledder keek hem strak aan en kneep zijn lippen op elkaar. 'Ja… moeder doodt Fred.'
De Cock reageerde niet. Hij kwam uit zijn stoel overeind en begon door de recherchekamer te stappen. Langzaam, half waggelend. De groeven in zijn voorhoofd waren verdiept, maar de accolades rond de mond bewogen speels. Bij het fonteintje bleef hij staan en keek in de spiegel. Al een eeuwigheid liep hij in de misdaad rond. Hij was er grijs bij geworden en de jaren hadden om de ogen een web van fijne rimpeltjes geweven. Hoeveel moorden had hij in zijn lange leven als rechercheur al behandeld… dertig, veertig, of waren het er nog meer? Hij bedacht het plotseling. Niet bitter, maar met de milde gelatenheid waarmee hij gewoon was het menselijke handelen te bezien. Hij liep van het fonteintje weg en ging weer achter zijn bureau zitten. Steunend op zijn ellebogen drukte hij zich wat naar voren.
'Als,' begon hij aarzelend, 'Vledder gelijk heeft en het kind werd omwille van een losgeld gestolen, dan zal het niet eenvoudig zijn het echtpaar op te sporen. Ze behoeven zich niet meer bloot te geven. Immers, het kind, om wie alles draait, is na de moord op Fred Doornekamp weer in hun bezit. Ze kunnen rustig de loop der gebeurtenissen af-wachten.' Hij wendde zich tot Van Dijk. 'Heb je de bar nog gevonden?'
Robert Antoine knikte. 'Het was café De Blauwe Druif in de Binnen Brouwersstraat.'
'Vandaar heeft Fred Doornekamp gebeld?'
'Ja.'
'Waarheen?'
Van Dijk trok een pijnlijk gezicht. 'Dat was niet meer te achterhalen,' zei hij somber. 'Hij rekende aan de bar twee stadsgesprekken af. Maar dat betekent niets. Hij kan toch buiten de stad hebben gebeld.'
De Cock knikte begrijpend. 'Hoe laat kwam hij De Blauwe Druif binnen?'
'Acht uur. En tegen tienen ging hij weer weg. Met een meisje.'
De Cock keek hem verrast aan. 'Een meisje?'
Van Dijk knikte. 'Een knap meisje met lang zwart haar. Ze droeg een open bloes en een veelkleurige rok.'