Vledder keek zijn oude leermeester wat verbolgen aan. 'Moest het zo? Kon het niet anders?'
De Cock staarde somber door het raam naar buiten. Hij voelde zich wat bedrukt, verdrietig. De zaak zinde hem niet, verliep niet zoals hij zich dat wenste. Zijn zorgen golden niet alleen de moord op Colette Maesen, maar veel meer nog het meisje Marianne. Hij vroeg zich af of hij zich niet beter uit de zaak kon terugtrekken, het onderzoek aan een ander overdragen. In hoeverre was hij nog objectief? Het donkere meisje beïnvloedde zijn denken, maakte gevoelens in hem wakker die hij moeilijk kon onderdrukken. Het maakte hem onzeker.
'Moest het zo?' herhaalde Vledder luid.
De Cock draaide zich wat verstrooid naar hem om. 'Je hebt gelijk,' zei hij loom. 'Het had anders gekund. Veel vriendelijker, minder schokkend.' Hij zweeg even, wreef over zijn brede gezicht. 'Hoe is het nu met haar?'
Vledder gebaarde. 'Majoor Bosschaert heeft zich er persoonlijk mee bemoeid. Ze heeft Marianne onder haar hoede genomen en naar bed gebracht.'
'Zei de majoor nog wat?'
Vledder grijnsde wat wrang. 'Ze zei dat wij wat meer begrip voor het meisje moesten opbrengen. Dat we vooral niet mochten vergeten dat Marianne de laatste tijd veel had meegemaakt. De dood van Colette had het meisje diep geschokt. Ze had nu niemand meer… geen vriendin, geen Bonny.'
De Cock kneep zijn dikke lippen op elkaar. 'Ik heb begrip,' zei hij wat hard, 'geloof me. Ik weet wel zo ongeveer wat er in dat meisje omgaat. Maar met begrip uitsluitend naar één kant, los je geen moord op.' Hij stak gebarend een vinger omhoog. 'Laten we de zaak duidelijk stellen, als de beide dames een man chanteerden en een van hen krijgt de rekening gepresenteerd, dan is dat weliswaar verdrietig, maar ook volkomen begrijpelijk.'
De jonge rechercheur schoof een stoel bij en ging daarop zitten, de leuning voor zijn borst. 'Hoe vinden we die man?'
De Cock keek op hem neer. 'Je hebt het zelf gezegd, volg de rode draad. Het belangrijkste in de hele affaire is, vind ik, dat de man op de uitnodiging inging. Hij legde haar niet naast zich neer. Hij kwam naar het café van Smalle Lowietje. Er moet dus inderdaad sprake zijn geweest van een verhouding… let wel, een verhouding, waaruit een kind geboren had kunnen worden. De man is zich dat bewust. Als we in het verleden van Colette gaan graven, moeten we hem tegenkomen.'
Vledder trok rimpels in zijn voorhoofd. 'Hoe was het ook weer?' zei hij peinzend. 'Een keurige, goedgeklede, deftig sprekende man van tussen de veertig en vijfenveertig jaar met grijs aan de slapen.'
De Cock glimlachte. 'Aldus sprak Lowietje.'
Ze liepen door de Oudebrugsteeg langs De Cost gaet voor de Baet uit naar het Damrak, stapten bij het zebrapad de drukke rijbaan over en slenterden naar de Nieuwendijk. Het was er erg druk, zoals gewoonlijk. Op de hoek van de Kolksteeg speelde een straatorgel van Perlee. Ze gingen vriendelijk knikkend Jopie voorbij en stapten links de Sint Jacobsstraat in. Bij nummer 112 bleven ze staan en keken omhoog. Het was een smal oud huis van twee verdiepingen met hoge ramen en een sierlijk halsgeveltje. De hardgroene buitendeur stond open.
De Cock schoof de mouw van zijn colbert wat terug en keek op zijn horloge. Het was elf uur in de morgen. Een fraaie tijd, vond hij, om een kunstenaar te bezoeken. Ze hesen zich langs de donkere trap omhoog en klopten op de deur van de eerste verdieping. Het klonk hol en leeg en bleef zonder resultaat. De Cock klopte nog eens, beduidend harder. Er kwam geen reactie. Het bleef stil. Ergens ver weg drupte een kraan.
Vledder voelde aan de kruk. Toen die meegaf, drukte hij de deur open. Ze stonden in een lange smalle kamer met een donker gebeitste vloer. Onmiddellijk rechts van de deur prijkte een kolossale luifelkast. Links, achter in de hoek, stond een ouderwets bed met ijzeren spijlen en koperen knoppen. Ze stapten voorzichtig dichterbij. Boven een grauwe deken stak een plukje blond haar. De Cock kuchte nadrukkelijk. Onder de grauwe deken kwam wat beweging. En dan plotseling, met een ruk, zat ze rechtop.
Een beeldschoon meisje. Het blonde haar golfde over haar schouders. De Cock hoorde hoe naast hem, uit de borst van Vledder, een zucht ontsnapte. De Cock keek haar onderzoekend aan. Hij schatte haar op voor in de twintig. Voor zover zijn oog kon reiken, droeg ze niets. Ze deed ook geen enkele moeite iets te bedekken. Met een paar helgroene ogen keek ze de beide mannen aan. Er was een glimp van verbazing. Meer niet.
'Wie bent u?' Haar stem klonk hees, wat omfloerst.
De grijze speurder weifelde even. Daarna plooide hij zijn gezicht in zijn beminnelijkste glimlach. 'Ik ben De Cock… met ceeooceekaa.' Hij duimde opzij. 'En dat is Vledder. Wij zijn rechercheurs van politie.'
Ze trok haar neus iets op en stak haar kin vooruit. 'Politie, wat komt u doen?'
De Cock slikte. Zijn puriteinse ziel had wat moeite met de aanblik die het meisje bood. 'Wij… eh, wij zochten Klaas Karsemeijer.'
Ze keek naar de lege plek naast haar in bed. 'Hij is er niet,' stelde ze simpel. 'U ziet het. Zeker voor het ontbijt zorgen.'
'U… eh, u woont met hem samen?'
Ze lachte wat ondeugend. 'Dat heeft er alle schijn van… vindt u niet?'
Vledder gniffelde om het antwoord.
'Hoe lang?' vroeg De Cock onverstoord. 'Wat bedoelt u?'
'Hoe lang woont u met hem samen?'
Ze bewoog haar fraaie linkerschouder. 'Anderhalf, twee jaar. Ongeveer. Ik weet het niet precies. Ik zal het straks aan Klaas vragen. Hij kan het u wel vertellen.' Ze wees naar een soort bank aan de muur. 'Ga zolang even zitten. Hij is vast brood halen en boter. Het was op.' Ze gleed poedelnaakt uit bed, trok een miniscuul slipje aan en sjorde zich in een spijkerbroek. Ze wuifde achteloos in de richting van de bank. 'Is er wat? Hebben jullie Klaas nodig?' De grijze rechercheur maakte een vaag gebaartje. 'Wij willen even met hem praten.'
Terwijl ze haar blouse dichtknoopte, duimde ze naar een reeks schilderijen aan de wand. 'Klaas schildert oude meesters.' Ze lachte aanstekelijk. 'Hij schildert net als de oude meesters,' verbeterde ze vrolijk. 'Hij is daar heel goed in.' Ze ging tegenover de rechercheurs zitten en sloeg de slanke benen over elkaar. 'Soms voelen mensen zich bedrogen.'
De Cock schudde traag het hoofd. 'Daar komen wij niet voor.' Hij zweeg even en plukte aan het puntje van zijn neus. 'Kent u Colette Maesen?'
'Wie is dat?'
'Ze heeft hier gewoond.'
'Bij Klaas?'
De Cock antwoordde niet onmiddellijk. Hij krabde zich wat verlegen achter in de nek. 'Dat heb ik gehoord,' zei hij voorzichtig.
Er kwam een peinzende blik in haar groene ogen. 'Was het dat kind uit Utrecht?'
De Cock knikte instemmend. 'Colette Maesen kwam inderdaad uit Utrecht.'
Het meisje klauwde nadenkend op het blonde hoofd. 'Ze was verslaafd, herinner ik mij. Klaas heeft mij van haar verteld.' Ze kwam overeind en liep naar een reeks tegen de muur gestapelde schilderijen. Ze ging ze met vlugge bewegingen na. Ineens hield ze op en trok een doek uit de reeks omhoog. Met een gebaar van tederheid zette ze het schuin tegen de poot van een oude stoel.
Het licht uit de hoge ramen gleed strelend langs de kleuren. Het was een dromerig, haast onwezenlijk schilderij. In milde zoete okers schemerde vaag het gezicht van Colette Maesen.
Het meisje keek erop neer. 'Klaas heeft het nooit willen wegdoen,' zei ze zacht.
Een grote, zwaargebouwde man, dreunde de kamer binnen. In een machtige arm droeg hij een papieren zak met boodschappen. De Cock keek hem aan en herkende hem direct van het fotootje dat de moeder van Colette hem had laten zien. Het meisje liep hem tegemoet.
'Twee heren van de politie.' Ze wees naar het schilderij tegen de stoelpoot. 'Ze komen voor haar.'
De man zette de papieren zak op de grond en richtte zijn aandacht op De Cock. 'Wat is er met Colette?' vroeg hij met een diepe basstem.
De grijze speurder negeerde de vraag. 'Wanneer is ze bij u weggegaan?'
De man staarde even voor zich uit. 'Twee jaar geleden. Kort voor Pauline kwam.'
De Cock gebaarde naar het meisje. 'Pauline?'
De man knikte met een glimlach 'Colette wilde niet langer blijven. Ze moest weg. Ze dacht dat ze het wel weer aankon.' Hij ging op de rand van het bed zitten. 'Ik had haar gevonden… 's nachts, op straat. Ze hing half over een stoep, total loss.'
'Wanneer?'
Hij gebaarde wat vaag voor zich uit. 'Een jaar of drie geleden. Ze is ongeveer een goed jaar bij mij geweest. Toen ik haar op straat vond, was ze er slecht aan toe. Verslaafd. Perferine. Rot spul. Vergif. Kom je niet makkelijk vanaf.' De man sprak kort, in enkele woorden.
'Ze was vuil,' ging hij verder. 'Verslonsd. Ze stonk. Had vodden aan haar lijf. Ik heb haar gewassen. Een hemd van mijzelf aangetrokken. De volgende morgen nam ik haar onderhanden. Ik zei tegen haar: "Wat kies je, leven of sterven?" Ze koos voor "leven". Ik zei: "Oké, maar dan geen rommel meer."'
'En hield ze zich daaraan?'
Hij lachte, toonde een rij sterke witte tanden. 'Ze kreeg geen kans. Kon er niet aankomen. Ik bewaakte haar als een hond. Liet haar geen moment uit het oog. Ze heeft mij wel vervloekt. Gevochten heeft ze met me. Het heeft maanden geduurd voordat ze weer een beetje tot zichzelf kwam.' Hij pauzeerde even en wreef zijn handen over elkaar. 'Je moet een mens niet tot je gevangene maken. Dat is niet goed. Een mens is voor de vrijheid geboren. Ik heb haar ook alleen maar willen helpen en steunen, zolang ze het nodig had. Toen ze zelf weg wilde… en ik dacht dat het kon, heb ik de deur open gezet.'
'Met een bloedend hart?'
Klaas Karsemeijer keek naar De Cock op. Zijn bruine ogen waren vochtig. Ritmisch bewogen zijn handen over zijn knieën. 'Waarom zou ik het ontkennen. Ik heb er pijn van gehad. Ik had zolang met haar opgetrokken… over haar gewaakt, in het begin bijna dag en nacht. Ze was gewoon een deel van mijzelf geworden.'
De Cock knikte begrijpend. Een tijdje zweeg hij. 'Ik heb gisteren haar ouders gesproken,' zei hij na een poosje. 'Ze waren bijzonder over u te spreken. Vol lof. Ze bewaren nog nog een foto van u.'
Klaas Karsemeijer streek langs zijn fraaie baard. Om zijn mond speelde een glimlach. 'Ze zijn bij ons geweest. Hij was machinist, een spoorwegman uit Utrecht. Een fijne ouwe baas… vol begrip.' Hij schudde somber het hoofd. 'Zij niet, die moeder, die was niet zo fijn. Volgens mij was het haar schuld dat Colette…' Ineens stokte hij, keek opnieuw naar de grijze speurder op. Het was alsof hij plotseling besefte met wie hij sprak. In zijn ogen gleed een argwanende blik. 'Waarom bent u hier? Wat is er met Colette?'
De Cock aarzelde even, streek met zijn hand langs zijn nek. 'We hebben haar,' zei hij zacht, weifelend, 'twee dagen geleden in een oud kraakpand gevonden.'
Het gezicht van de man verstarde. 'Hoe?'
De oude speurder schudde droef het hoofd. 'Ze was niet meer te redden.'
De man staarde hem aan. Het duurde even voor het begrip bezit van hem nam. Toen sloeg hij beide handen voor het gezicht en begon te snikken.' Colette… Colette.' Het klonk zo hartverscheurend, zo smartelijk, dat De Cock een prop in de keel schoot. Hij stond van de bank op. De jonge Vledder volgde zijn voorbeeld.
De man nam zijn handen weg en keek met een betraand gezicht omhoog. 'Wanneer wordt ze begraven.'
'Morgen om tien uur op Zorgvlied.'
'Mag ik komen?'
De Cock slikte, drukte de prop weg. 'Colette zou het hebben gewild.'