11

Commissaris Buitendam, de lange statige politiechef van het politiebureau aan de Warmoesstraat, liep met uitgestoken hand op De Cock toe. ‘Ik vind het knap,’ riep hij uit. ‘Razend knap, moet ik zeggen. U heeft beide moorden in de kortst mogelijke tijd opgelost. Mijn felicitaties.’

De Cock reageerde verbaasd. ‘Opgelost?’

De commissaris glimlachte. ‘Ik heb het telexbericht gelezen. De verdachte Jonathan is een broer, nietwaar?’

De Cock slikte. ‘Een broer van Juliette en een zoon van de oude mevrouw Van der Wheere,’ legde hij uit.

De commissaris glimlachte opnieuw, breed, uitbundig. ‘Prachtig, prachtig,’ riep hij handenwrijvend. ‘Fantastisch. Ik zal ook aan de jonge rechercheur Vledder mijn lof niet onthouden.’

‘Dat is fi jn,’ reageerde De Cock laconiek.

De commissaris kikte. ‘Onmiddellijk nadat ik het telexbericht had gelezen, heb ik contact opgenomen met de offi cier van justitie. Meester Van Overcinge toonde zich zeer tevreden.’

De Cock keek naar de politiechef. Het gezicht van de commissaris, de toon waarop hij sprak, kwamen hem plotseling onwezenlijk voor, wreed, abstract, als was hij een deel van een andere wereld. Hij had hem willen zeggen dat het gejubel geen grond had, dat het opsporingsbericht van Jonathan van der Wheere niet betekende dat de zaak was geklaard, dat alle vraagstukken waren opgelost. Maar hij wist dat het geen zin had, dat de enthousiaste politiechef al zijn bezwaren met een simpel handgebaar zou wegwuiven. Daarom zei hij: ‘Dank u,’ en liep zonder verder commentaar van hem vandaan. De commissaris keek hem hoofdschuddend na.


‘De commissaris zal jou zijn lof niet onthouden.’

Vledder trok zijn neus op. ‘Wat zal hij mij niet onthouden?’

De Cock glimlachte. ‘Zijn lof. Dat zei hij vanmorgen tegen me. Hij had ons telexbericht gelezen en concludeerde daaruit dat alles volledig was opgelost.’

Vledder schokschouderde. ‘Nou en?’ reageerde hij agressief. ‘Commissaris Buitendam heeft volkomen gelijk. Wat valt er nog te doen? Als Jonathan van der Wheere eenmaal is gearresteerd, hoeft hij alleen nog maar te bekennen.’

De Cock keek zijn jonge collega onderzoekend aan. Hij vroeg zich af of hij schertste, maar het jeugdig gezicht van Vledder stond ernstig. De grijze rechercheur schoof zijn onderlip vooruit. ‘Hij hoeft alleen maar te bekennen,’ herhaalde hij bijna toonloos.

Vledder knikte strak. ‘Precies, zo is het. Ga maar eens mee.’ Hij vatte De Cock bij de arm en leidde hem naar het verhoorkamertje. ‘Ik heb hem hier maar zo lang laten wachten.’ Hij deed de deur met een zwaai open. ‘Mag ik je voorstellen… de heer Van Groenewegen, antiquair.’

De rechercheur keek de man fronsend aan en stak hem aarzelend een hand toe. ‘De Cock…’

‘…met ceeooceekaa,’ vulde Vledder olijk aan.

De antiquair glimlachte beleefd. ‘Van Groenewegen.’

‘U komt ons iets vertellen?’

‘En wat laten zien,’ antwoordde Vledder opgetogen. ‘De heer Van Groenewegen kwam een goed kwartiertje geleden binnenstappen. Hij vroeg naar jou. Jij was er niet. Toen heeft hij het mij laten zien.’

‘Wat?’

De antiquair tastte in een zijzak van zijn colbert. ‘De recherchelijsten waren laat dit keer,’ sprak hij verontschuldigend. ‘Ik heb ze vanmorgen pas binnengekregen. Maar toen ben ik ook onmiddellijk gekomen.’ Hij zette een doosje op tafel en opende het met trillende vingers. ‘Dit moet het zijn.’

De Cock boog zich voorover. ‘Het medaillon!’

De antiquair knikte. ‘Het klopt precies met de omschrijving. Kijkt u maar. Een antiek gouden medaillon met een gegraveerd bloemmotief in een ovaal van robijntjes.’

De Cock keek op. ‘Hoe komt u eraan?’

‘Gekocht.’

‘Waar?’

De heer Van Groenewegen glimlachte wat bedeesd. ‘Ik heb een bescheiden winkeltje in de Reestraat. Antieke sieraden is mijn specialiteit. Men komt van heinde en ver.’

‘Ja ja,’ reageerde De Cock ongeduldig. ‘Van wie heeft u dat medaillon gekocht?’

De heer Van Groenewegen pakte zijn aktetas. ‘Ik heb voor alle zekerheid mijn aankoopregister meegenomen. Het staat op de tweeëntwintigste.’

De Cock nam het register van de antiquair over en bladerde gehaast. Op de 22ste juli gleed zijn vinger langs de rij van inkopen. Ongeveer in het midden van de bladzijde las hij: ‘Medaillon, antiek, goud met robijntjes, gekocht van…’ Hij keek op naar Vledder. ‘…Jonathan van der Wheere,’ zei hij hees. De jonge rechercheur knikte. ‘Het is alles nu wel duidelijk,’ sprak hij ernstig. ‘Het wordt hoog tijd dat we de jacht op broer Jonathan openen.’

De antiquair nam zijn brilletje af. ‘Het was een heel vriendelijk heer,’ interrumpeerde hij, ‘een echte gentleman. Het medaillon was een oud familiestuk, vertelde hij. Het deed hem pijn er afstand van te moeten doen.’

Vledder brieste. Zijn gezicht zag rood. ‘Het had hem pijn moeten doen toen hij het afrukte.’

De antiquair keek hem wat verlegen aan. ‘U bedoelt?’ vroeg hij verward.

De Cock kwam haastig tussenbeide. ‘Zou u hem kunnen herkennen?’

De heer Van Groenewegen staarde voor zich uit. ‘Hij droeg een donkere bril,’ zei hij peinzend. ‘Dat maakt de zaak wat moeilijk.’ Hij glimlachte. ‘Toch, als ik meneer weer zag…’

De Cock boog zich opnieuw over het register.

‘U heeft geen adres vermeld.’

De antiquair maakte een verontschuldigend gebaartje. ‘Meneer had geen adres,’ zei hij. ‘Geen vast adres. Hij woonde dan hier, dan daar.’

De Cock knikte begrijpend. ‘U heeft de aankoop zelf ingeschreven?’

‘Ja, onmiddellijk.’

‘De naam Van der Wheere is goed geschreven. De h in Wheere op de juiste plaats. Kende u die naam of heeft meneer hem gespeld?’

De antiquair schudde het hoofd. ‘Geen van beide. Ik heb de naam overgenomen. Meneer legitimeerde zich met zijn paspoort.’


Rechercheur De Cock speelde met het medaillon, liet het gouden kettinkje in zijn handpalm glijden. Zijn gedachten doolden door een labyrint van feiten, gegevens, aanwijzingen. Het heimelijke pad van een dubbele moord leidde naar Jonathan. Maar wie was Jonathan? Een kille wreker? Een moordende maniak? Wat dreef hem?

Vledder kwam naast hem staan. ‘We zullen zijn contacten moeten afgrazen.’

De Cock grinnikte. ‘Dat lijkt me een prettige bezigheid. Al de vrouwen met wie Jonathan een affaire had…’

Vledder trok een verongelijkt gezicht. ‘Wat moeten we anders? Het is onze enige kans. Wie kan ons verder iets over het doen en laten van die vent vertellen?’

‘Heb je al reacties op ons opsporingsbericht?’

Vledder schudde triest het hoofd. ‘De hotelcontrole meldde dat Jonathan van der Wheere op hun lijsten niet voorkwam. Dat is alles.’

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Een schrale oogst,’ zei hij laconiek.

Vledder klemde zijn lippen op elkaar. ‘We moeten hem vinden,’ riep hij fel. ‘En zo gauw mogelijk. Het is de beste bescherming die wij de anderen kunnen bieden. Ik zal me pas weer prettig voelen, als we hem veilig achter slot en grendel hebben.’ Hij sloeg met zijn vuist op het bureau. ‘Verdomme, die vent moet toch ergens zitten? Hij kan toch niet zomaar van de aardbodem verdwijnen? Wat denk je, zullen we de televisie inschakelen?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Daar krijg je de ouwe commissaris nooit warm voor. Zeker niet in deze zaak. Men wil niet zoveel publiciteit rond deze affaire. Denk aan de C.I.H. De naam Van der Wheere is daar te nauw bij betrokken.’

‘Wat moeten we dan?’

De Cock streek langs zijn brede kin. ‘De zaak anoniem activeren?’

‘Anoniem?’

De rechercheur knikte. Hij trok een la open, nam een vel papier en schreef met grote schoolse letters: Waar is Jonathan? Zal de wrekende zoon zijn luguber moordwerk voortzetten? Hij hield het vel schuin omhoog. ‘Wat denk je hiervan?’

Vledder knikte bewonderend. ‘Sensationeel.’

De Cock greep de telefoon. ‘We zullen de jongens van de pers vragen of ze er wat voor voelen.’

‘En dan?’

De Cock grijnsde. ‘Een krantenbericht doet wonderen.’


‘Rechercheur De Cock?’

‘Dat ben ik.’


‘U had belangstelling voor mij?’ De vragen werden kort, koel, bijna hautain gesteld. ‘Ik vernam dat u een paar maal naar mij hebt geïnformeerd.’

De Cock keek de man voor hem geamuseerd aan. ‘Als u mij eens vertelde wie u was?’

De man schraapte bedachtzaam zijn keel. ‘Van Drunnen… Janus van Drunnen.’

De Cock toonde zijn innemendste glimlach; vriendelijke accolades rond een brede mond. Onderwijl tastte hij de gelaatstrekken van de man af. Zijn scherpe blik gleed langs de slappe mond, de lichtbruine, wat vochtige ogen, het fraaie zwarte haar. Rooie Tiny, vond De Cock, had gelijk. Het gozertje maakte een weke, bijna fatterige indruk.

‘Neemt u plaats.’ De Cock boog, wuifde naar de stoel naast zijn bureau. ‘Het is vriendelijk van u dat u gekomen bent.’

Van Drunnen maakte een protesterend gebaar. ‘Ik ben een drukbezet man.’

De Cock knikte begrijpend. ‘We zullen u niet lang ophouden,’ zei hij geruststellend. ‘Twee afschuwelijke moorden in een tijdsbestek van nog geen vierentwintig uur nopen ons echter tot een uitgebreid onderzoek. Ik verwacht dat u daar begrip voor heeft.’ Van Drunnen zuchtte. ‘Ik zal mij wel aan de autoriteit onderwerpen,’ sprak hij gelaten. ‘U zegt het maar.’

De Cock ademde diep. Verdreef zijn ergernis. ‘Ik ben uw autoriteit niet,’ zei hij loom. ‘Ik wil dat ook niet zijn. Ik ben uw dienaar… een dienaar van het recht… van uw… en ieders recht. Begrijpt u? Uw rol van verdrukte imponeert mij niet.’

Van Drunnen verschoof iets op zijn stoel. ‘Het is niet prettig om bij een moordaffaire betrokken te worden.’

‘Bent u erbij betrokken?’ De stem van De Cock klonk scherp. Van Drunnen haalde wat onwillig zijn schouders op. ‘Ik ken de familie Van der Wheere.’

‘Van zeer nabij.’

Van Drunnen knikte. ‘Dat mag u zeggen. Inderdaad, van zeer nabij. De oude Henri van der Wheere heeft mij bij de familie geïntroduceerd. Hij was nogal op mij gesteld.’

‘U was zijn protégé.’

De jongeman trok zijn lippen tot een grijns. ‘Ik vind protégé een akelig woord. De oude Henri waardeerde mijn administratieve kwaliteiten. Dat klinkt sympathieker. Vindt u niet?’

De Cock wreef met zijn hand over zijn gezicht. ‘U… eh… u bezat nog andere kwaliteiten dan alleen administratieve?’

Van Drunnen verstarde. De weke mond trok iets scheef. Een boosaardig licht fl ikkerde in zijn ogen. ‘U bedoelt?’

De Cock gebaarde traag voor zich uit. ‘Uw amoureuze kwaliteiten,’ antwoordde hij met een zweem van verbazing. ‘U moet toch toegeven dat ook die hooglijk werden gewaardeerd.’

Van Drunnen likte aan zijn droge lippen. ‘De oude Henri was niet zo.’

De Cock keek op. ‘Wie sprak er van de oude Henri?’ Hij glimlachte. ‘Ik bedoelde Juliette.’

Het gezicht van Van Drunnen werd bleek. ‘Er was niets tussen Juliette en mij.’

De Cock stond zuchtend op. ‘Het is dwaas dat te ontkennen.’ Hij legde een hand op de schouder van de jongeman. ‘Jullie vormden een mooi paar… een opvallend paar… de helblonde Juliette en de donkere, modieus geklede Janus van Drunnen.’

De jongeman schudde het hoofd. ‘Er was niets tussen ons,’ herhaalde hij.

De Cock ging weer zitten. ‘Je wilt toch niet,’ sprak hij vriendelijk ironisch, ‘dat ik uit de buurt een paar business-vrouwtjes opscharrel om je te herkennen? Je kunt ervan op aan dat ze met een hand op het hart getuigen dat ze je meerdere malen met Juliette in de buurt hebben gezien.’ Hij pauzeerde even voor het effect. ‘Of vind je dat het Oudekerksplein te dicht bij de Leidekkerssteeg ligt?’

Van Drunnen reageerde fel. ‘Ik heb met haar dood niets te maken.’ Hij sprong op en boog zich naar De Cock, wild, bijna dreigend. ‘Ik heb haar niet vermoord, hoor je. Ik heb haar niet vermoord.’

De Cock keek hem koel, onderzoekend en waakzaam aan. ‘Wat zocht je met Juliette in de rosse buurt?’ vroeg hij scherp.

Van Drunnen kalmeerde, zakte terug op zijn stoel. ‘Daar ontmoetten we elkaar.’

‘Waar?’

‘In de Sint-Jansstraat.’

De Cock sloot zijn ogen. Het was alsof er iets onder zijn schedeldak knapte. ‘De Sint-Jansstraat?’ herhaalde hij.

Janus van Drunnen knikte vermoeid. ‘Daar heeft Jonathan een huis.’

Загрузка...