19

Rechercheur De Cock stapte de hal van het Centraal Station uit. Het was ruim negen uur en al vrij donker voor de tijd van het jaar. Hij wachtte geduldig tot het licht voor de voetgangers op groen sprong en liep toen tussen de trams door over het Stationsplein naar de brug. Het asfalt van het Damrak weerspiegelde de kleuren van de lichtreclames. De Cock had naar huis moeten gaan, waar hij wist dat zijn vrouw wachtte, maar er was iets dat hem dreef, een vreemd onberedeneerd gevoel dat hem dwong nog even naar de Warmoesstraat te gaan.

Hij hees zich twee trappen omhoog en vond Vledder en Van Dijk samen in de recherchekamer. Het verbaasde hem niet. Hij had het min of meer verwacht. De gezichten van de beide jonge rechercheurs stonden ernstig, maar veranderden van uitdrukking toen hij binnenkwam.

Vledder liep blij verrast op hem toe. ‘Was je al thuis?’

‘Ik kom net van het station.’

‘Ik had je vrouw al gebeld en gevraagd of ze je onmiddellijk naar het bureau wilde sturen.’

De Cock keek hem schuins aan. ‘Is er wat?’

Het gezicht van Vledder betrok. ‘Er is vanmiddag in Vught in Noord-Brabant een moordaanslag gepleegd op de kleine André.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wie is kleine André?’

‘De zoon van André Beerenburgh. De jongen is daar in een internaat.’

De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Hoe weet je dat van die moordaanslag?’

‘Het kwam nog geen uur geleden over de telex.’ Vledder weifelde even. ‘Met een verzoek.’

‘Wat voor verzoek?’

‘Om André Beerenburgh te arresteren.’

‘Wat?’

Vledder knikte ernstig. ‘Hij zou hebben geprobeerd de kleine André met zijn wagen te overrijden.’

De Cock trok een vies gezicht. ‘André Beerenburgh zou hebben geprobeerd zijn eigen zoon te vermoorden?’

‘Ja.’

‘Kolder.’

Vledder keek hem aan en schudde het hoofd. ‘De jongen zegt het zelf.’

De Cock sloeg beide handen voor zijn gezicht. Hij voelde zich ineens moe, ontzettend moe. Het was alsof het mechanisme van zijn denken plotseling stokte en alle spankracht uit zijn spieren trok.

Vledder ging tegenover hem zitten. Zijn gezicht zag wit. ‘Wat moeten we doen?’

De Cock zuchtte diep. ‘Hoe is het met de jongen?’

‘Volgens de berichten vrij redelijk. Hij heeft een paar builen, schrammen en een gebroken been. Nadat de wagen hem raakte, is hij schuin weggerold. Dat is zijn geluk geweest.’

‘Waar is hij nu?’

‘In Vught, in het zogenaamde ziekenzaaltje van het internaat. Het beentje is vanavond gezet. Het was gelukkig geen gecompliceerde breuk. De jongen heeft alleen een shock.’

‘Heel begrijpelijk. En hij zegt pertinent dat het zijn vader was?’

Vledder knikte. ‘Ik heb in verband met het telexbericht nog even met Vught gebeld. Ik had de opper aan de lijn. Volgens hem was de jongen heel positief.’

De Cock staarde een tijdje voor zich uit. ‘We gaan naar Vught,’ zei hij plotseling.

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Nu?’

‘Ja, onmiddellijk.’ De Cock sprong van zijn stoel en strekte zijn arm naar de jonge Van Dijk. ‘Jij gaat naar de Sloterplas, naar André Beerenburgh. Als hij thuis is, breng je hem hierheen.’

‘Arresteren?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Vraag eerst of hij vrijwillig zijn medewerking wil verlenen. Zeg hem nog niet wat er is gebeurd. Zeg hem alleen dat het verband houdt met de moord op Juliette.’

‘En als hij niet vrijwillig mee wil?’

De Cock plukte aan zijn onderlip. ‘Dan arresteer je hem wegens moord.’ Hij liep op Van Dijk toe en legde een hand op zijn schouder. ‘Maar liefst niet, begrijp je, liefst geen arrestatie. Ik wil het graag mooi houden.’


Vledder ranselde de oude Volkswagen over de snelle E9 naar ’s-Hertogenbosch. Hij hield de naald van de snelheidsmeter constant op 120.

De Cock liet hem begaan. Hij hoopte nog ruim voor middernacht in Vught te zijn om de mensen van het internaat te vermurwen hem een paar minuten met de kleine André alleen te laten. Hij wilde persoonlijk van de jongen horen hoe hij ertoe kwam zijn eigen vader te beschuldigen.

De Cock blikte opzij naar Vledder, die strak op de weg keek. ‘Waarom was de jonge Van Dijk nog op het bureau?’

‘Vanwege de bontmantel.’

‘Wat is daarmee?’

‘André Beerenburgh kent hem niet.’

‘Hij was dus al op het bureau?’

Vledder knikte. ‘Vanmorgen om tien uur ongeveer. Ik had hem gebeld. Ik zou, zoals we hadden afgesproken, de eigendommen van Juliette afgeven. Dat heb ik gedaan. André Beerenburgh was erg nerveus. Er kwamen tranen in zijn ogen, toen hij haar tasje en haar kleren zag.’

‘En de bontmantel?’

‘Daar reageerde hij helemaal niet op. Toen ik de mantel op tafel bij de andere spulletjes legde, schoof hij hem nonchalant opzij. Die is niet van Juliette, zei hij pertinent. Ik heb die mantel nog nooit gezien.’ Vledder pauzeerde even. ‘Volgens André Beerenburgh droeg ze die mantel ook niet op de avond van de moord.’ De Cock grinnikte. ‘Natuurlijk niet.’

Vledder liet het gaspedaal los, verminderde vaart. ‘Dat wist je?!’

De Cock wuifde. ‘Rij door,’ gebood hij. ‘We zijn al laat genoeg.’

Vledder drukte het gaspedaal weer in. ‘Jij wist het,’ herhaalde hij.

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Welke vrouw van de wereld… en dat was Juliette… draagt een bontmantel op een zwoele zomeravond.’

‘Ze droeg hem toen we haar vonden.’

De Cock knikte. ‘Inderdaad. Hoe koel en zorgvuldig de moordenaar ook te werk ging… dit was een foutje.’

‘Hoezo?’

‘Een moment van zwakte. Een daad van piëteit jegens de dode. De moordenaar heeft zijn slachtoffer niet zonder meer in de steeg op de koude straat willen leggen. Hij heeft haar met nog wat zorg willen omringen en haar daarom een mantel aangetrokken. Begrijp je, een warme bontmantel.’

‘Dat duidt op een gevoelsrelatie.’

De Cock zuchtte. ‘Een gevoelsrelatie,’ herhaalde hij traag, ‘inderdaad! Het brengt ons echter geen steek verder. Daarom heb ik je er ook niet mee vermoeid. Alle verdachte personen hadden met Juliette een gevoelsrelatie. Ga maar na… Janus van Drunnen, André Beerenburgh, Jonathan van der Wheere… Van al deze mensen kun je ten aanzien van Juliette een daad van piëteit verwachten.’

Vledder staarde weer op de weg. ‘Ik heb Rob van Dijk gevraagd te onderzoeken waar die bontmantel vandaan komt. Hij kwam er vanavond bekaf mee terug. Hij heeft er de hele dag mee langs allerlei bontwerkers gesjouwd.’

‘En?’

‘Niets.’

De Cock grijnsde. ‘Laat hem er morgen mee naar Margootje gaan.’

Het gezicht van Vledder verhelderde. ‘Dat is een idee,’ zei hij glimlachend. ‘Het zou mij niets verbazen…’

Ze bogen van de snelweg af en reden de gemeente Vught binnen. Na een tocht door een warwinkel van lanen stopten ze voor het internaat. Het was een somber, langgerekt gebouw van drie verdiepingen. Achter enige ramen brandde nog volop licht. De Cock constateerde het met genoegen. Er waren duidelijk nog mensen wakker. De rechercheurs stapten wat stijf uit de oude Volkswagen en sloften naar de grote dubbele toegangsdeur. Vledder belde. Na een paar minuten ploefte het licht in de hal aan en werd een van de deuren geopend door een al wat oudere heer op sloffen. Hij keek wat verbaasd naar de beide mannen op de stoep.

De Cock lichtte beleefd zijn hoedje. ‘We komen uit Amsterdam,’ verklaarde hij vriendelijk, ‘van de recherche van het bureau Warmoesstraat. Het is in verband met de aanslag op de kleine André Beerenburgh.’

‘Uit Amsterdam… nu nog?’

De Cock knikte. ‘We wilden graag even met de kleine André praten… het is belangrijk.’

De man keek wat weifelend van De Cock naar Vledder en weer terug. ‘Mijn vrouw is bij hem. De jongen wil niet slapen. Hij is koortsig, onrustig. Hij roept voortdurend om zijn vader. Mijn vrouw en ik weten niet goed wat we moeten doen.’ Het klonk bezorgd. ‘U weet toch dat zijn vader…’

‘Daarom… het komt ons wat onwaarschijnlijk voor. Wij kennen de heer Beerenburgh.’

De man maakte een onzeker gebaar. ‘Het schijnt toch wel zo te zijn. Ook de andere jongens zeggen het.’

‘Andere jongens?’

De man zuchtte. ‘Het is allemaal al aan de politie verteld,’ zei hij wat wrevelig. ‘Ze gingen met z’n zessen naar de IJzeren Man. Dat is een zwembad hier in de buurt. Daar gaan ze elke woensdag heen, in de middag, als het goed weer is. Onderweg moet het zijn gebeurd.’

De Cock glimlachte. ‘Ik wil toch even met hem praten.’

De man haalde zijn schouders op, deed de deur wat verder open en liet hen binnen. Daarna sloot hij weer zorgvuldig. Op zijn sloffen sjokte hij voor hen uit door een lange, slecht verlichte gang. Aan het einde stapten ze twee krakende trappen op. Boven bleef de man staan en beduidde hen te wachten. ‘Ik zal even mijn vrouw roepen.’ Hij slofte weg en kwam even later terug met een klein vrouwtje, dat kordaat op hen toe stapte.

‘Kunnen de heren zich legitimeren?’ vroeg ze onmiddellijk.

De Cock liet haar zijn legitimatiebewijs zien. ‘U heeft gelijk,’ zei hij innemend, ‘groot gelijk. U moet voorzichtig zijn. Het is echt niet denkbeeldig dat de moordenaar terugkomt.’

Ze keek hem scherp onderzoekend aan. ‘Als het zijn eigen vader is?’

‘Gelooft u dat het zijn eigen vader was?’

Ze aarzelde even. ‘Het lijkt erop.’

De Cock boog zich vertrouwelijk naar haar toe. ‘Mevrouw… eh…’

‘Govaerts.’

‘Mevrouw Govaerts, voordat u… en ik… en wij allemaal een afschuwelijke vergissing begaan…’


De jonge André Beerenburgh lag er witjes bij. Een klein, zielig, inbleek snuitje met een pleister op zijn linkerwang en rode mercurochroomvlekken op zijn voorhoofd. Hij had helblauwe ogen en hetzelfde blonde haar als zijn moeder. Hij richtte zijn hoofd op van het kussen, maar toen hij zag wie er binnenkwam, liet hij het weer zakken. Er lag een duidelijke trek van teleurstelling op zijn gezicht. De Cock stapte voorzichtig naderbij en legde zijn hoedje aan het voeteneinde. Hij maakte een grimas, frunnikte wat aan zijn neus en wist niet goed hoe te beginnen.

‘Ik heet De Cock… geen gewone kok… maar met ceeooceekaa. Mijn over… overgrootvader vond een gewone kok niet zo mooi. Wat kaal, geloof ik.’ Hij haalde zijn logge schouders op en lachte wat schaapachtig. ‘Mag ik even bij je komen zitten?’

Er was bijna geen reactie op het bleke gezichtje.

‘Ik ben van de politie,’ ging De Cock verder. ‘Ik hoorde vanavond dat je een ongeluk had gehad en je in bed lag. Ik ben toen helemaal uit Amsterdam gekomen om met je te praten.’

‘Waarom komt mijn vader niet?’

‘Je… eh… je vader komt morgen.’

De jongen keek argwanend naar hem op. ‘Beloofd?’

De Cock stak een grote knuist vooruit. Aarzelend kwam een armpje boven dek. ‘Beloofd,’ zei De Cock strak. ‘Als hij niet wil, kom ik hem morgen zelf bij je brengen.’ Hij lachte breed. ‘Maar hij wil best.’

‘Waar is hij nu?’

‘Ik denk bij mij in het politiebureau in Amsterdam. Ze zouden hem gaan halen.’

‘Waarom?’

‘Ik wil met hem praten, zoals ik nu met jou praat.’

‘Houdt u hem vast… in een cel?’

De Cock keek hem trouwhartig aan. ‘Zullen we het doen?’

De kleine André knipperde zenuwachtig met de ogen. ‘U moet hem vragen waarom hij het heeft gedaan.’ Het klonk verontwaardigd.

De Cock zuchtte diep. ‘Ik zal het hem vragen,’ sprak hij weifelend, ‘maar misschien weet hij het niet meer.’

Er kwam wat kleur op zijn bleke wangen. ‘Natuurlijk weet hij het. Hij zag me toch? Hij kwam in de verte aanrijden. Ik liep de weg op en zwaaide.’

‘Hoe wist je dat het je vader was?’

De helblauwe ogen van de jongen lichtten op. ‘Zijn wagen. Mijn vader heeft een sportwagen, een lichtblauwe, een Opel GT met koplampen die zo inklappen. Het is een moordwagen. Snel. Mijn vriendjes zeggen ook dat het een moordwagen is.’

‘Je zag zijn nummer?’

‘Nee, maar het was pappa’s wagen.’

De Cock knikte traag. ‘Jij liep de weg op en zwaaide?’

De kleine André draaide zijn hoofd naar de andere kant van het kussen. Zijn onderlip trilde. ‘Ik… eh… ik dacht dat hij zou stoppen…’ begon hij hakkelend, ‘en dat hij meeging… en dat we allemaal mee mochten rijden… naar de IJzeren Man… maar ineens… ineens reed hij op mij af… gewoon, recht op mij af. Ik riep pappa… pappa, riep ik… en toen ben ik gevallen.’ Hij slikte en likte aan een traan die langs zijn neus gleed. ‘Ik… eh… ik dacht dat hij per ongeluk op de verkeerde rem had getrapt… en dat hij verderop zou stoppen… maar hij reed door. hij reed door.’ Het jochie barstte in tranen uit. ‘Hij reed door… hij kwam niet eens naar mij kijken.’

De Cock worstelde met een brok in zijn keel. Hij streek onhandig met een kromme vuist over het klamme blonde haar.

‘Mijn vriendjes zeggen dat het een rotvent is… dat ik een rotvader heb… een gekke vent, die me wil doodrijden.’ Hij draaide zijn betraand gezicht naar De Cock. ‘Heb ik een rotvader?’

De Cock schudde het hoofd. Zijn gezicht vol diepe rimpels stond heel ernstig. ‘Jij hebt geen rotvader, André,’ zei hij beslist. ‘Helemaal niet. Het was vanmiddag jouw vader niet.’

De jongen keek hem gespannen aan. ‘Mijn vader niet? Maar het was zijn wagen.’

De Cock glimlachte. ‘Hoeveel Volkswagens zijn er… Renaults, Fiats, Fords, Lelijke Eenden… noem maar op.’

Er kwam een glinstering in de blauwe ogen. ‘Het was een andere Opel… ja… een andere Opel-sport.’ Het klonk als een gejubel.

De Cock knikte. ‘Met een andere vent… een stomme vent, die niet kon rijden.’

Over het betraande gezicht gleed een lach. ‘Een stomme vent,’ herhaalde hij opgelucht. ‘Natuurlijk… een vent die niet kon rijden.’ Hij keek naar de rechercheur op. ‘Vertelt u het ook aan mijn vriendjes?’

De Cock hield zijn hoofd een beetje schuin. ‘Ik denk niet dat ik daar nog tijd voor heb. Ik moet terug naar Amsterdam. Maar vraag het morgen aan je vader.’

Het jochie zuchtte diep. ‘Ja,’ zei hij berustend, ‘die doet het wel.’

‘Vast.’

Загрузка...