7

De Cock tilde beide benen op zijn bureau en leunde behaaglijk achterover. Hij was niet ontevreden. De zaak marcheerde. Er zat schot in.

Vledder schoof een stoel bij. ‘Vriend Beerenburgh,’ gniffelde hij, ‘had maar weinig weerstand. Vond je niet? Hij kwam gauw door. Wat denk je van zijn verhaal?’

De Cock plooide zijn lippen tot een tuitje. ‘Laten we het nog eens doornemen. Het lijkt mij belangrijk genoeg.’

Vledder pakte zijn notitieblok uit zijn binnenzak en legde het op zijn knie. ‘André Beerenburgh,’ zo begon hij, ‘beweert dat hij zijn ex-echtgenote op haar eigen verzoek vanaf het Amstelhotel rechtstreeks naar de Dam heeft gereden. Juliette was nogal gehaast, want ze had, volgens haar zeggen, om acht uur een afspraak met haar broer Jonathan en ze wilde hem niet graag laten wachten. André Beerenburgh negeert vol bravoure een paar stoplichten, maar het is toch ruim zeven minuten over achten als hij haar voor de ingang van het hotel Krasnapolsky afzet. Het laatste wat hij van haar ziet, is een beeld in de achteruitkijkspiegel van zijn wagen. Ze wuift hem na. André Beerenburgh rijdt terug naar zijn bungalow aan de Sloterplas. Hij is in een opgewekte stemming. Juliette had hem tijdens het intiem dineetje beloofd weer eens een nacht met hem door te brengen en ze had hem voor het gemak alvast een sleutel van haar huis aan de Spiegelgracht gegeven.’ Vledder keek van zijn blocnote op. ‘Gaat dat zo als je gescheiden bent?’

De Cock krabde zich verlegen achter in de nek. ‘Dat moet je mij niet vragen. Ik heb geen enkele ervaring. Ik ben al bijna vijfentwintig jaar met dezelfde vrouw getrouwd.’ Hij grinnikte wat voor zich uit en zuchtte: ‘Hoe het ook zij, het verhaal van André Beerenburgh lijkt mij heel redelijk. Het klopt aardig met de ons bekende feiten en het valt ook verder wel te controleren.’ ‘Je bedoelt dat we navraag kunnen doen bij Kras?’ De Cock knikte. ‘Ik denk dat ze Juliette daar wel kennen. Bovendien kun je nog altijd die vergrote pasfoto laten zien. Je moet maar eens nagaan wie van de portiers, kelners en barkeepers er rond die tijd dienst hadden.’ Hij pauzeerde even, plukte nadenkend aan zijn onderlip. ‘Weet je,’ vervolgde hij traag, ‘dat het hotel Krasnapolsky hemelsbreed nog geen honderd meter van die vieze Leidekkerssteeg is verwijderd?’

Vledder keek verrast op. ‘Je denkt toch niet dat ze in Kras is vermoord?’

De Cock schudde langzaam het hoofd. ‘Dat lijkt me te riskant. De moordenaar had dan al moeten beginnen met vooraf een kamer te bespreken. We zullen uiteraard het hotelregister moeten nakijken. Maar ik geloof er niet zo erg in. Het geeft altijd moeilijkheden met het opgeven van een naam, legitimatie, het invullen van hotelbriefjes. En dat niet alleen… hoe krijg je een dode vrouw het hotel uit?’

Hij nam zijn beide benen van het bureau en boog zich naar voren. ‘Toch zitten we dichtbij.’

Vledder glimlachte. ‘Dichter dan die honderd meter tussen Kras en de Leidekkerssteeg?’

De Cock schudde het hoofd. ‘In de tijd,’ zei hij geduldig. ‘Ik bedoel dat aardige rekensommetje dat je André Beerenburgh vanmorgen voorlegde. Er zit niet zoveel ruimte tussen acht-uurzeven en het tijdstip van de moord.’

Vledder klemde zijn lippen op elkaar. ‘Er is er één,’ zei hij grimmig, ‘die ons heel veel zal moeten vertellen.’

De Cock knikte traag. ‘Broer Jonathan.’

Er viel een lange stilte. Midden in die stilte kwam rechercheur Bonnemaijers de recherchekamer binnenstormen. ‘Zitten jullie hier?’ riep hij verwonderd.

De Cock keek verbaasd op. ‘Waar anders?’

Het klonk wat nors, onvriendelijk.

Bonnemaijers trok een verongelijkt gezicht. ‘Nog geen kwartier geleden ben ik het hele gebouw van boven naar beneden doorgerend. Jullie waren in geen velden of wegen te bekennen.’

De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘We zijn nog geen tien minuten terug van de Sloterplas. Wat is er dan?’

Bonnemaijers wenkte met het hoofd. ‘De commissaris heeft je nodig.’

‘Alweer?’

‘Hij heeft visite gekregen… de oude mevrouw Van der Wheere en haar zoon Jerome.’


‘De Cock… met ceeooceekaa.’

De oude mevrouw Van der Wheere kwam overeind en stak hem een rimpelige hand toe. ‘U bent de man,’ zei ze strak, ‘die de moordenaar van mijn dochter zal vinden.’

De Cock keek schuins naar de commissaris. ‘Dat klinkt alsof iemand u een belofte heeft gedaan,’ zei hij beminnelijk. ‘Zonder grond overigens. Maar ik zal mijn best doen de belofte in te lossen. Ik kan u echter niets garanderen.’

Mevrouw Van der Wheere schonk hem een matte glimlach.

‘Uw naam is mijn garantie. Ik heb veel over u gehoord. U zult de waarheid dienen.’

De Cock keek haar scherp aan. ‘De waarheid,’ sprak hij ernstig, ‘is niet altijd een aangename meester.’

De oude dame boog zich iets naar voren. ‘Ik begrijp u,’ zei ze zacht. De Cock draaide zich om naar Jerome en gaf ook hem een hand. ‘De familie is niet compleet, zie ik.’

Jerome antwoordde niet direct, keek naar zijn moeder. ‘Broer Jonathan,’ zei hij weifelend, ‘was verhinderd.’

Mevrouw Van der Wheere reageerde fel. Haar kleine bruine ogen schitterden achter haar brillenglazen. ‘Laten we de zaken stellen, zoals ze zijn, Jerome,’ sprak ze bestraffend. ‘Het heeft geen zin de recherche leugens te vertellen.’ Ze wendde zich tot De Cock. ‘De waarheid is dat wij niet weten waar Jonathan uithangt. Hij is verdwenen.’

De Cock verborg zijn verbazing achter een strak masker. ‘Sinds wanneer?’

Ze spitste haar lippen in een krans van kleine rimpeltjes. ‘Sinds een week of wat. Nietwaar Jerome? We hebben al enige tijd geen taal of teken van hem vernomen. Hij zal wel ergens aan de Rivièra zitten.’

Jerome knikte instemmend. ‘En als zijn geld op is,’ sprak hij laconiek, ‘komt hij weer boven water.’

Mevrouw Van der Wheere glimlachte vertederd. ‘Jonathan is altijd een vreemde jongen geweest,’ legde ze uit. ‘Een zorgenkind. We hebben zo in de loop der jaren heel wat affaires voor hem opgeknapt. Nietwaar, Jerome? Vaak zonder dat mijn man het wist.’

‘Wat voor affaires?’

De oude dame wuifde voor zich uit. ‘Speelschulden. Affaires met vrouwen. Ach, u kent dat wel. Meisjes die beweren zwanger te zijn. Chantagespelletjes van louche lieden. Beledigde echtgenoten. Ik heb al van alles bij mij aan de deur gehad. Jonathan leeft maar raak. Hij heeft ook een chronisch geldgebrek.’ Er viel plotseling een schaduw op haar gezicht. ‘Juliette leek op hem qua karakter. Feitelijk verbaast het mij niets.’

De Cock keek haar onderzoekend aan. ‘U bedoelt haar… eh… plotselinge dood?’

Ze zuchtte diep. ‘Het is de schuld van mijn man. Hij kon haar niets weigeren. Juliette was zijn oogappel. Hij gaf iveral aan toe. In alles.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Dat is niet goed. Ik heb het Henri vaak gezegd. Het kweekt zwakke karakters. Juliette heeft nooit geweten wat nog tot de goede toon behoorde en wat niet. Ze had geen normbesef.’ Mevrouw Van der Wheere beet op haar onderlip. Ineens was ze haar pose kwijt. Haar bruine ogen vulden zich met tranen. Zenuwachtig grabbelde ze in haar handtas naar een zakdoek. ‘Juliette,’ lispelde ze, ‘mijn kind, mijn arm, arm kind.’ Ze keek omhoog naar De Cock. ‘Hoe kan iemand zoiets doen?’

De Cock antwoordde niet. Hij ontweek de blik van de oude vrouw en keek naar buiten. Tijdens zijn lange loopbaan bij de recherche had hij zich diezelfde vraag ettelijke malen gesteld. Waarom doodt iemand zijn medemens. Wraak, afgunst, hebzucht?

Commissaris Buitendam kwam tussenbeide. ‘De beweegredenen,’ sprak hij gedragen, ‘kunnen vele zijn.’ Hij maakte een hulpeloos gebaar. ‘Als we het motief kenden, waren we dichter bij de oplossing.’

Mevrouw Van der Wheere vatte beide handen van De Cock. ‘U zult hem vinden. Nietwaar? U zult hem vinden.’

In haar stem lag zo’n smeekbede, dat de rechercheur een brok in de keel schoot. ‘Ik zal hem vinden,’ antwoordde hij zacht. Jerome stond op. ‘Laten we gaan, moeder. We moeten nog naar André.’

De oude dame kwam voorzichtig overeind. Ze had zichzelf weer in bedwang. Haar tranen waren gedroogd. Het moment van zwakte was voorbij. ‘Komt u vanavond bij mij op bezoek? Acht uur. Schikt u dat? U weet waar ik woon?’

De Cock knikte. ‘Aan de Zuidelijke Wandelweg.’ ‘Juist. Nummer 325. Niet ver van de Amstel. U neemt rechercheur Vledder mee?’

‘Als u dat wenst?’

‘Heel graag. U werkt toch altijd samen met rechercheur Vledder?’

‘Al vele jaren.’

Mevrouw Van der Wheere glimlachte. ‘Ik heb thuis nog een goede cognac. U bent een kenner, heb ik gehoord.’ Ze weifelde, veranderde van toon. ‘Ik denk dat ik u iets kan vertellen dat voor uw onderzoek van belang kan zijn.’

De Cock maakte een lichte buiging. ‘Wij zullen graag komen,’ zei hij vormelijk.

De oude dame nam afscheid van Buitendam. Ook Jerome schudde de commissaris de hand.

De Cock bekeek het tafereel van een afstand. Koel, scherp observerend. Toen moeder en zoon de kamer wilden verlaten, stapte hij naar voren. ‘Als u iets hoort van Jonathan…’ hij wachtte even, ‘…laat het mij weten. Ik ben geïnteresseerd. Ik heb namelijk gegronde reden om aan te nemen dat Juliette kort voor haar dood nog een afspraak met hem had.’

Jerome slikte. ‘Kort voor haar dood?’

‘Inderdaad.’

‘Maar… eh… maar dan heeft Jonathan…’ Hij maakte zijn zin niet af, keek naar zijn moeder. De waarschuwende blik in haar ogen ontging De Cock niet.

De oude vrouw glimlachte. ‘Als we iets van Jonathan vernemen,’ sprak ze vriendelijk, ‘zullen we het u berichten. Nietwaar, Jerome?’

Jerome zag bleek.


‘Hoe was de commissaris?’

De Cock grinnikte. ‘Poeslief, dit keer. Hij kon ook moeilijk anders.’

‘Hoezo?’

‘Hij had de oude mevrouw Van der Wheere en haar zoon de stellige belofte gedaan dat ik, De Cock, de moordenaar van Juliette wel even zou opsporen.’

Vledder keek hem van opzij aan. Glimlachend. ‘Een blijk van vertrouwen.’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ik ben niet zo blij met die belofte. Ten eerste is het de vraag of ik haar wel kan inlossen en ten tweede… ik ben er niet zo zeker van dat mevrouw Van der Wheere het wil.’

‘Wat?’

‘Dat de moordenaar van haar dochter wordt gevonden.’

Vledder keek verbaasd. ‘Waarom niet?’

De Cock stond van zijn stoel op en slenterde door de recherchekamer. Bij het raam bleef hij staan en keek hoe Mosie de haringman zijn brede kar door de smalle Heintje Hoeksteeg manoeuvreerde.

‘Ze pakte mijn handen,’ sprak hij traag, zijn herinnering aftastend, ‘en smeekte mij de moordenaar van Juliette te vinden. Heel theatraal. Het leek oprecht. En dat was het ook. Onder één voorbehoud…’

‘Dat het Jonathan niet is.’

De Cock knikte. ‘Precies. Als Jonathan de moordenaar is, dan hebben we van de familie Van der Wheere weinig medewerking te verwachten. Ze wilden mij nu al doen geloven dat Jonathan al geruime tijd was verdwenen en vermoedelijk ergens aan de Rivièra verbleef.’

Vledder kwam aan het raam bij hem staan. ‘Heb je ze verteld van de afspraak tussen Jonathan en Juliette?’

De Cock knikte. ‘Niet onmiddellijk. Ik heb ermee gewacht tot zij op het punt stonden te vertrekken. Begrijp je, omwille van de reacties.’

Vledder plooide zijn gezicht in een brede grijns. ‘Ik ken dat van je. Een oude truc. Een vriendelijke nekslag tot besluit.’ Hij zweeg een poosje, keek naar de ijverige haringman in de steeg. ‘Ze zeiden dus dat broer Jonathan was verdwenen, nog voor jij van die afspraak tussen Jonathan en Juliette had verteld?’

‘Inderdaad.’

De ogen van Vledder begonnen te glinsteren. ‘Maar De Cock,’ riep hij opgewonden, ‘dat betekent dat ze er rekening mee hielden.’

‘Met wat?’

‘Met broer Jonathan als moordenaar. Ze verschaften hem al bij voorbaat een alibi.’

De Cock staarde voor zich uit. ‘Het zou best kunnen,’ zei hij peinzend. ‘Een heel moeilijk te ontzenuwen alibi. De Rivièra is zó lang en kent zó veel uithoeken.’ Hij keek opzij naar Vledder. ‘Een goede opmerking,’ zei hij bewonderend.

De jonge rechercheur glunderde. ‘Zullen we zijn opsporing verzoeken?’

‘Jonathan… als verdacht van moord?’

‘Ja.’

De Cock schudde het hoofd. ‘Ik vind de grondslagen nog te zwak. Ga maar na. Wat hebben we? Feitelijk alleen de verklaring van André Beerenburgh, dat Juliette hem had gezegd dat ze een afspraak met Jonathan had.’

Vledder glimlachte. ‘Dat is inderdaad niet veel.’

‘Nee. Daar zal nog wel het een en ander bij moeten komen. Jonathan van der Wheere is voorlopig niet veel meer dan een belangrijke getuige.’ De Cock streek over het stugge grijze haar. ‘Je kunt wel vast het medaillon op de telex zetten. Misschien duikt het ergens op.’

Vledder trok zijn la open, nam daaruit een vel papier en maakte een paar aantekeningen voor de telexist. Midden in zijn werk hield hij op. ‘Ik heb een verrassing voor je. Ik vergat het bijna.’

De Cock keek hem argwanend aan. ‘Een prettige verrassing?’

De jonge rechercheur maakte een onduidelijk gebaar. ‘Terwijl jij met de familie Van der Wheere bij de commissaris was, ben ik even naar Krasnapolsky gegaan.’

‘En?’

‘Juliette is er niet geweest.’

‘Niet geweest?’ reageerde De Cock verbaasd.

Vledder schudde het hoofd. ‘Niet op de avond van de moord.’

‘En broer Jonathan?’

Vledder zuchtte omstandig. ‘De schattingen lopen nogal uiteen. Maar het is wel duidelijk dat broer Jonathan in geen weken in Krasnapolsky is geweest.’

‘En ze kenden beiden?’

‘Zeker. Heel goed zelfs. Ik kon de foto van Juliette in mijn zak houden. De portiers en het bedienend personeel wisten onmiddellijk wie ik bedoelde. Ook Jonathan was tot voor kort een vrij regelmatig bezoeker. Hij zat veel aan de bar. Broer en zus werden echter zelden samen gezien.’ Vledder keek naar De Cock op. ‘Wat dacht je?’ vroeg hij. ‘Zou vriend Beerenburgh ons wat hebben voorgelogen?’

De Cock schudde traag het hoofd. ‘Ik heb niet de indruk. Je vergeet één ding. Juliette van der Wheere heeft niet gezegd dat ze een afspraak had in Krasnapolsky. Ze heeft André Beerenburgh alleen gevraagd haar voor het hotel af te zetten.’

‘Je wilt zeggen dat Krasnapolsky niet per se de plaats van de afspraak behoeft te zijn.’

‘Precies. Het lag het meest voor de hand. Natuurlijk. Maar het kan best ergens ander zijn geweest.’ De Cock stond van zijn stoel op en liep naar de kaart van de Amsterdamse binnenstad aan de wand. ‘Het was in ieder geval niet ver van de plek waar ze uit de wagen stapte. De afspraak was om acht uur. Ze was gehaast. Ze was al een paar minuten te laat.’ Hij pakte zijn pen en tikte daarmee op de kaart. ‘Geloof me, ze was nooit op die plek uit de wagen van André Beerenburgh gestapt, als het mogelijk was geweest ze zich dichter naar het punt van de afspraak te laten rijden.’

Vledder kwam naast hem staan. ‘Je bedoelt te zeggen dat ze rijdend met een auto niet veel verder kon komen, dat het voor haar gunstiger was op die plek uit te stappen en eventueel de rest te voet af te leggen.’

De Cock krabde zich in de nek. ‘Dat moet het zijn geweest,’ zei hij weifelend. ‘Ik zie geen andere reden, geen andere mogelijkheid.’ Hij tikte opnieuw met zijn pen op de kaart aan de wand. ‘Zie je, ik geloof in die afspraak. Juliette had ten opzichte van André Beerenburgh niets te verbergen. In een afspraak met Jonathan stak niets geheimzinnigs. Het was haar eigen broer. Ze kon daar heel openhartig over zijn. En was dat ook. Ik heb een tijdje aan de mogelijkheid gedacht dat Juliette haar jaloerse exman op een dwaalspoor wilde brengen en dat een afspraak met Jonathan maar een voorwendsel was. Ik heb die gedachte laten varen. Juliette, hoe frivool ook, was niet op een avontuurtje uit.’

‘Waarom niet?’

‘Daar was geen ruimte voor.’

Vledder glimlachte. ‘Je bedoelt dat ze de nacht al exclusief aan André Beerenburgh had toegezegd.’

De Cock lachte. ‘Zo is het.’ Hij stak gebarend een vinger omhoog. ‘Dat ondanks de fatale afspraak om acht uur. Ze had ook voordien de uitnodiging voor het dineetje in het Amstelhotel aangenomen. En we mogen gerust veronderstellen dat Juliette haar exman voldoende kende om te weten waartoe dat moest leiden.’

Vledder gniffelde. ‘Of ze het wist’, riep hij uit. ‘Ze wist het zo goed, dat ze al bij voorbaat een tweede sleutel van haar huis aan de Spiegelgracht had meegenomen.’ Hij zweeg even, plukte nadenkend aan zijn neus. ‘Blijft de puzzel van de afspraak om acht uur.’

De Cock gleed met zijn hand over de kaart van de binnenstad. ‘Als Juliette van der Wheere voor haar afspraak met de dood niet naar Krasnapolsky moest… waar moest ze dan heen?’

Vledder grijnsde. ‘Naar de Leidekkerssteeg,’ zei hij wrang. Het was als een grapje bedoeld.

De Cock reageerde vreemd, verward. ‘De Leidekkerssteeg,’ herhaalde hij dromerig. ‘We hebben haar nog niet bij daglicht gezien.’

Загрузка...