8

Ze slenterden door de Lange Niezel. De Cock een halve stap vooruit, nonchalant, slordig, de handen diep in zijn broekzak, het oude hoedje schuin achter op het hoofd. Vledder, netter, minder zwierig, in een keurig kostuum, het korte blonde haar voorbeeldig gekapt.

Vanaf de Lange Niezel gingen ze rechtsaf de Voorburgwal op. Ze spraken niet. Bij het Oudekerksplein bleef De Cock staan en babbelde met Rooie Tiny, een van de vele hoertjes die hij een mensenleeftijd kende. De jonge Vledder kwam wat dichterbij. Hij hoorde hoe De Cock met kennis van zaken naar de welstand van allerlei familierelaties informeerde. Het interesseerde de jonge rechercheur geen zier. Hij kreeg weer belangstelling, toen hij De Cock hoorde opmerken: ‘Wat zielig, hè, van dat vrouwtje in de Leidekkerssteeg. Het moet een goed mensie zijn geweest. Heb ik horen zeggen. Ik heb nog met haar moeder gesproken. Het oudje was er compleet kapot van.’ Rooie Tiny hield haar hoofd een beetje scheef. Haar levendig gezicht strak, in een uitdrukking vol ernst. ‘Het is godgeklaagd,’ sprak ze droevig. ‘Ze moorden maar. Weet u, meneer De Cock, het komt allemaal door die moderne psy… psychiaters… zo heten die dingen toch? Die knoeien maar wat. Alles mag tegenwoordig.’

De Cock ging op het onderwerp niet in. ‘Er moeten meisjes zijn die haar kennen.’

Rooie Tiny knikte overtuigend. ‘We kennen haar wel,’ zei ze wat meewarig. ‘We zagen haar wel eens voorbijgaan.’

‘Alleen?’

‘Soms. Maar meestal had ze een zwart gozertje bij haar. Een knap binkie. Ik schat hem zo op een jaar of dertig. Een beetje zijig. U kent dat wel… coltruitje en suède schoentjes.’

De Cock glimlachte. ‘Heb je haar wel eens ergens zien binnengaan?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat heeft Smalle Lowietje me ook al gevraagd. Nee, dat niet. Ik heb haar alleen een paar keer voorbij zien stappen. Ze kwam dan van de kant van de Oude Hoogstraat en liep met haar gozertje langs de Oude Kerk naar de Warmoesstraat.’

‘Altijd hetzelfde gozertje?’

Ze frommelde wat aan haar bustehouder. ‘Ach, zo goed heb ik nou ook weer niet op haar gelet. Als ik haar toevallig zag, dan dacht ik… daar heb je dat knappe blonde wijfi e weer. Meer niet. Begrijp je. Ze was geen meisje van de vlakte.’

‘Weet je dat zeker?’

Rooie Tiny schonk hem een medelijdend lachje. ‘Ach, dat zie je toch zo. Nee. Ze was niet van de business. Ze was een dame… een echte dame… een vrouw van standing. Begrijp je wat ik bedoel? Klasse… dat had ze.’ Ze tikte op haar boezem. ‘Je mag het gerust van me weten… als ze hier op het plein voorbijging, heb ik vaak met afgunst naar haar gekeken.’

‘Ze is dood,’ zei De Cock nuchter.

Rooie Tiny knikte. ‘Dat zie je nou. Je mag een ander eigenlijk niet benijden om wat ze heeft… om wat ze is…’ Ze staarde dromerig voor zich uit. ‘En ik had nog wel zo graag met haar willen ruilen.’

De Cock klopte haar vaderlijk op haar mollige schouder. ‘Je ziet van de meeste mensen alleen de buitenkant… de glimmende buitenkant. Je kijkt ertegenaan… nooit erin.’ Hij glimlachte wat triest. ‘Enfi n, als je nog eens wat over haar hoort…’

Wuivend liep hij bij haar weg.

Vledder stapte achter hem aan. ‘Wat zocht Juliette hier in deze buurt?’

De Cock haalde zijn schouders op. ‘Het is een vraag die ik mijzelf al ettelijke malen heb gesteld. Het heeft er veel van weg dat ze hier ergens een onderkomen had. Een plaats waar ze ongestoord haar vrienden kon ontvangen.’

Vledder keek hem aan. ‘En waar ze een afspraak had met Jonathan.’

De Cock reageerde niet direct. ‘Het kan,’ zei hij na een poosje. ‘Het zou inderdaad veel verklaren. De vraag is… hoe vinden we het?’

Vledder gebaarde om zich heen. ‘Dat lijkt me nogal simpel. De hele buurt huis voor huis uitkammen.’

De Cock schudde het hoofd. ‘Dat kost dagen, weken. En dan is het nog de vraag of je het vindt.’ Hij bleef staan, kauwde op zijn dikke onderlip. ‘Ik heb een ander voorstel. Ga terug naar de Warmoesstraat.’

‘En dan?’

‘Dan bel je van het bureau je vriend op de Amerikaanse ambassade en vraagt of de niet-tolerante William O. Summerfi eld een zijig type is, die bij voorkeur coltruitjes en suède schoentjes draagt.’

‘En als hij dat niet is?’

‘Dan neem je contact op met André Beerenburgh.’

‘André Beerenburgh?’

De Cock knikte. ‘Ik neem niet aan dat hij iets weet van Juliettes… eh… liefdesnestje in de rosse buurt, maar waarschijnlijk kent hij wel het zijige zwarte gozertje van een jaar of dertig, over wie Rooie Tiny sprak.’ Hij glimlachte breed. ‘André Beerenburgh lijkt mij precies de man om elke vrijer van zijn exvrouw te kennen.’

Vledder knikte strak. ‘Je wilt dus dat vriendje?’

‘Inderdaad.’ De Cock grinnikte. ‘Hopelijk zit hij niet met zijn Libanese schone in Beiroet. Dan zijn we ver van huis.’

Vledder schudde het hoofd. ‘Ik geloof niet dat het Summerfi eld is. Amerikanen zijn in de regel niet zo zijig. Maar ik zal informeren.’ Hij keek steels naar De Cock. ‘En wat ga jij intussen doen?’

De Cock schoof zijn hoedje wat naar voren. De accolades rond zijn mond trilden vrolijk. ‘Op mijn gemak… kijken in de Leidekkerssteeg. Je weet het nooit. Misschien zie ik nu iets, dat ik vannacht niet zag.’

Vledder snoof. ‘Het zal wel Smalle Lowietje worden,’ meesmuilde hij.

De Cock lachte vrijuit. ‘Het is een idee. Als ik het niet meer weet… Smalle Lowietje heeft fl essen vol inspiratie.’ Hij strekte zijn arm, keek op zijn horloge. ‘Een fl uwelen cognacje op dit uur van de dag… niet meer dan één…’ Hij zweeg even, keek wat zorgelijk opzij. ‘Denk erom dat je om acht uur weer present bent.’

‘Acht uur?’

De Cock knikte. ‘Ik was het haast vergeten. We hebben om acht uur een afspraak in een villa aan de Zuidelijke Wandelweg. Samen. Ik mocht niet alleen komen. De oude mevrouw Van der Wheere stond erop, dat ik jou meenam.’

‘Wat een eer. Waar heb ik dat aan te danken?’

De Cock trok een ernstig gezicht. ‘Aan de zekerheid.’

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘De zekerheid?’

De Cock knikte. ‘De zekerheid dat haar woorden niet verloren zullen gaan. Ik ben ervan overtuigd dat ze ons iets heel belangrijks heeft te vertellen.’

De Cock stond in de Leidekkerssteeg, wijdbeens, de hand aan zijn brede kin, en dacht na. Hij trachtte zich voor te stellen hoe het was geweest, zeventien, achttien uur geleden, toen de moordenaar hier zijn slachtoffer neerlegde. Het was toen donker. Het enige licht kwam van de oude lantaarnpaal.

Hij overdacht hoe de moordenaar de dode vrouw had vervoerd. De steeg was te smal voor een auto. Hij had haar gedragen. Een andere mogelijkheid was er niet. Vermoedelijk hangend over zijn schouder, het hoofd naar beneden, zijn arm om de verstijfde bovenbenen.

Vanwaar kwam hij? Van de Sint-Jansstraat of van de Voorburgwal? Het was aan beide zijden moeilijk een wagen te parkeren. Maar het was mogelijk. Zonder twijfel. Zeker voor een korte tijd. En de moordenaar had maar een paar seconden nodig gehad.

Ouwe Brammetje, peinsde hij, kwam met zijn accordeon uit het café van Rooie Frits. De oude muzikant liep dus vanaf de Voorburgwal de steeg in om buiten privaten en waterplaatsen datgene te verrichten, waartoe die inrichtingen bestemd zijn.[7] De man die hij gebukt over het lijk zag, verliet de steeg aan de andere kant, vluchtte dus in de richting van de Sint-Jansstraat. Ouwe Brammetje zei de indruk te hebben dat de man eerst in zijn richting wilde komen, maar zich later bedacht.

De Cock plukte aan zijn onderlip. Zou de wagen van de moordenaar aan de Voorburgwal hebben gestaan en vormde de oude muzikant voor hem een plotseling obstakel? Of was er helemaal geen wagen? Maar dan? Zowel de Sint-Jansstraat als de Oudezijds Voorburgwal waren tot in de late avonduren druk bevolkt. In ieder geval te druk om ongezien met een verstard lijk rond te lopen. De Cock veegde met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd. Het was warm in de steeg en het stonk. Van de muren walmde de penetrante geur van urine.

Hij liep een paar maal heen en weer, bekeek de plek waar de dode vrouw had gelegen. Er was niets. Niets dat hem hielp zijn chaotische gedachten te ordenen. Machteloos schopte hij tegen de oude lantaarnpaal. De vieze, enge steeg begon hem te benauwen. De stank, de sfeer werkte op zijn gemoed, knabbelde aan zijn haast onaantastbaar humeur. Hij verlangde naar een bol glas in het koele halfduister van Lowietjes café. Treuzelend, aarzelend liep hij de steeg uit.

Midden op de Voorburgwal bleef hij staan. Een grote vrachtwagen toeterde hem luidruchtig naar de kant. De chauffeur schold hem uit door het open raam van zijn cabine. De scheldwoorden gingen aan De Cock voorbij. Hij had ineens het beeld van de dode vrouw weer voor zijn geest. Zoals zij daar lag in de steeg. Juliette van der Wheere in een bontmantel, in een lange chinchilla bontmantel… op een zwoele zomeravond. Hij grinnikte wat dwaas voor zich uit. Stom, dat hij daaraan niet eerder had gedacht.


De jonge Vledder manoeuvreerde de oude, sputterende politie-Volkswagen bekwaam door de binnenstad van Amsterdam. Bij een stoplicht in de Vijzelstraat keek hij opzij naar De Cock, die lui onderuitgezakt naast hem zat. ‘Het is geen voorkomen,’ mopperde hij.

De Cock keek gestoord op. ‘Wat?’

Vledder sloeg met zijn vuist tegen het portier. ‘Zo’n oud barrel van een wagen,’ riep hij kwaad. ‘Dat is toch geen gezicht. Daar kan je je niet mee vertonen. Ik zie er mij direct al mee in de deftige oprijlaan van villa Jolanda.’

‘Jolanda?’

‘Ja, zo heet de villa van de Van der Wheeres. Ik heb het even nagekeken.’

‘O, en kan je daar met een Volkswagen niet komen?’

‘Het is een aanfl uiting voor de politie.’

De Cock liet zich nog wat verder onderuitzakken. ‘Ik zal de hoofdcommissaris vragen of hij ons bij een volgende gelegenheid een Rolls Royce meegeeft.’

Het klonk spottend, schamper. Vledder trok een verongelijkt gezicht. Toen het licht weer op groen sprong, reed hij mokkend verder.

De Cock begreep best wat zijn jonge collega bezighield. De Amsterdamse politie reed in oude auto’s, was gehuisvest in oude gebouwen en herbergde haar arrestanten in oude afgekeurde cellen. Alleen aan die verschrikkelijke cellen ergerde de oude speurder zich nog. Met het overige had hij zich allang verzoend. Het was altijd zo geweest en het zou wel altijd zo blijven. ‘Was het Summerfi eld?’ vroeg hij zakelijk.

Vledder schudde het hoofd. ‘Onze man in Beiroet is lang, breed en blond. In het kolossale Texas opgetrokken uit corn-flakes en cornedbeef.’

De Cock lachte om de omschrijving. ‘En wat zei vriend André?’

‘Niet veel. Hij had er nogal wat moeite mee. Hij wist eerst absoluut niet wie ik bedoelde. Het was koddig, plotseling werd hij woest. Het was voor hem kennelijk een verrassing. Hij begon hevig te vloeken. Het is toch verdomme Janus niet, schreeuwde hij. Dat is zo’n jurk.’ Vledder glimlachte bij de herinnering. ‘Ik vroeg hem wie Janus was.’

‘Uiteraard.’

‘Het duurde geruime tijd voordat André Beerenburgh van zijn woede en verbazing was bekomen. Uiteindelijk kwam het er toch uit. Janus… voluit Janus Marie Antoine van Drunnen, was een protégé en vertrouweling van Henri van der Wheere. Door zijn toedoen bekleedt hij een belangrijke functie bij de C.I.H.’ De Cock kwam met een ruk overeind. ‘Protégé?’ vroeg hij met een vies gezicht.

Vledder knikte. ‘Hij kwam veel bij de familie over huis. Hij was ook aan boord van de Julia, toen de oude Henri stierf.’

De Cock schoof zijn onderlip naar voren. ‘Heb je hem al uitgenodigd?’

Vledder reed de wagen aan de kant van de weg en stopte. ‘Nee,’ zuchtte hij, ‘nog niet. Ik kon hem nog niet te pakken krijgen. Ik probeer het vanavond nog wel eens. Misschien is hij dan wel thuis. Hij woont aan de Keizer Karelweg in Amstelveen.’ Hij draaide het contact af en keek opzij. ‘Verder ga ik niet. De rest gaan we lopen.’

De Cock maakte een verschrikt gebaar. ‘Het is nog bijna een kilometer.’

Vledder knikte. ‘Dat weet ik,’ zei hij gelaten. ‘Toch ga ik met dit oude vehikel geen meter verder.’

De Cock krabde zich achter in de nek, bleef nog even zitten, maar stapte ten slotte toch uit. Hij keek naar Vledder, die naast de wagen op hem wachtte. Langzaam hief hij zijn kin omhoog. ‘Kijk eens,’ zei hij gemaakt, ‘of mijn stropdas recht zit.’ Rond zijn lippen dartelde een milde grijns.


Jolanda, de oude villa van de Van der Wheeres, was vanaf de weg vrijwel niet te zien. Ze lag verscholen achter een gordijn van groen. De beide rechercheurs stapten de oprijlaan op, die werd gemarkeerd door een haag van rozerode rozen en ranke hoge berken. Het grove grind knarste onder hun zolen. Voor de hoofdingang bleven ze staan en namen toen de vijf treden naar het bordes. De Cock belde. Ze wachtten geduldig. Er gebeurde niets. Er kwam niemand aan de deur. De Cock keek op zijn horloge. Het was ruim vijf minuten over acht. Hij belde opnieuw, langer nu, nadrukkelijker.

Er verstreken seconden, minuten. De Cock werd onrustig, ongeduldig. Hij voelde aan de met smeedijzer beslagen deur. Ze was op slot. Onwrikbaar. Met de jonge Vledder in zijn kielzog rende hij om het gebouw. Ook de zijen achterdeur bleken gesloten. De oude speurder tastte in zijn zakken. Ergens, in een leren foedraal, had hij het oude instrumentje dat hij eens van zijn vriend en exinbreker Handige Henkie als geschenk had gekregen. Het was een koperen houdertje met een groot assortiment uitschuifbare, smalle stalen sleutels met baarden in allerlei vormen. Koortsig ging hij aan het werk. Na een paar seconden had hij de achterdeur open. Ze renden door het huis, zochten zich een weg door een doolhof van gangen en vertrekken. Er was niets, niemand.

De Cock keek verstrooid om zich heen. Hij voelde zich vreemd opgewonden. Hij had het angstige vermoeden dat er iets mis was. Dat er iets was gebeurd.

Hij stormde de trap op naar de eerste verdieping. Twee keer opende hij een verkeerde deur. Toen vond hij haar, de oude mevrouw Van der Wheere. Ze lag op haar bed, gekleed. Het haar als een zilveren krans om haar rimpelig gezicht.

Versteend bleef hij staan. Zijn vuisten waren gebald. Op zijn gezicht lag een verbeten trek. Hij voelde de hijgende adem van Vledder in zijn nek.

‘Dood?’

De Cock knikte traag. ‘Vermoord.’

Загрузка...