12

‘Stom, dat we niet onmiddellijk na het ontdekken van het lijk een buurtonderzoek hebben gehouden.’

De Cock knikte. ‘Dat was ook mijn eerste reactie.’

Vledder schudde wrevelig het hoofd. ‘Het lag ook niet in de lijn,’ riep hij uit. ‘Wie denkt daar nu aan? Het is toch te dwaas. Welke moordenaar legt het lichaam van zijn slachtoffer praktisch op de stoep van zijn eigen huis?’

De Cock zuchtte. ‘En het staat nog te bezien of we het bij een buurtonderzoek hadden gevonden. We waren er vermoedelijk achteloos aan voorbijgegaan.’

‘Hoezo?’

‘Volgens vriend Van Drunnen was er vrijwel nooit iemand in huis. Alleen wanneer Jonathan een paar dagen in Amsterdam verbleef, was het bewoond. Bovendien was een relatie tot Jonathan van der Wheere bij een oppervlakkige beschouwing niet te vinden. Ik heb gebeld met het gemeentelijk kadaster. Het perceel Sint-Jansstraat 137 staat niet op zijn naam. En bij het bevolkingsregister staat hij op dat adres niet ingeschreven.’

‘Wie dan wel?’

‘Een of andere makelaar.’

Vledder fronste zijn wenkbrauwen. ‘Waarom zo geheimzinnig?’

‘Volgens vriend Van Drunnen wilde Jonathan niet dat het adres een wijde bekendheid kreeg. Hij beschouwde het huis als een soort toevluchtsoord, waar hij vrij anoniem kon vertoeven. Hij ontving er alleen zijn intiemste vrienden en vriendinnen.’

‘Wat kwam Juliette er dan doen?’

De Cock glimlachte. ‘Ze had een sleutel. Jonathan had haar toegestaan het huis te gebruiken, wanneer zij dat wilde.’

Vledder grinnikte. ‘Om zich met een of ander vriendje af te zonderen. Bijvoorbeeld met Janus van Drunnen.’

De Cock maakte een grimas. ‘En als we mevrouw Van Paddenburgh mogen geloven… met nog vele anderen.’

Vledder keek nadenkend voor zich uit. ‘Nu begrijp ik ook waarom zij zich die bewuste avond niet naar het punt van afspraak liet rijden, maar al op de Dam uitstapte. Ze wilde dat het adresje in de Sint-Jansstraat voor de jaloerse André Beerenburgh geheim bleef.’

De Cock knikte ernstig. ‘Ze liep niet,’ zei hij triest, ‘maar rende haar dood tegemoet.’ Hij stond van zijn stoel op en slenterde wat loom naar de kapstok. ‘We moesten er maar eens een kijkje gaan nemen.’ Hij weifelde even. ‘Pak een goede zaklantaarn en een stalen armband. Je weet het nooit. Misschien houdt hij er zich schuil.’

Vledder keek verbaasd op. ‘Wie… Jonathan?’

‘Ja.’

Vledder grijnsde. ‘Hij is toch niet gek.’

De Cock keek hem aan. ‘Dat,’ zei hij traag, ‘begin ik mij af te vragen.’


Sint-Jansstraat 137… een laag, bijna onopvallend huisje op de hoek van de enge Leidekkerssteeg. De kleine ramen en de smalle deur waren vuil en verveloos. De rode baksteen brokkelde en het oude klokgeveltje leunde vermoeid voorover.

Vledder keek omhoog. ‘Een bouwvallig krot,’ zei hij minachtend. ‘Volgens mij wordt het allang niet meer gebruikt.’

De Cock gleed met zijn hand langs de deurpost. ‘Het is een bedrieglijke façade,’ zei hij zacht. ‘Het huis is wel degelijk in gebruik. De scharnieren en het slot zijn pas geolied.’ Hij drukte voorzichtig op de ijzeren kruk. De deur was afgesloten.

‘Heb je een sleutel?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Janus van Drunnen had er geen. De sleutel van Juliette heeft de moordenaar blijkbaar teruggenomen. Ik heb in haar handtasje geen sleutel van dit huis gevonden.’ Hij trok breed zijn gezicht in een vriendelijke grijns. ‘Ik heb natuurlijk wel het oude apparaatje van Handige Henkie.’ Hij tastte in zijn zakken naar het leren foedraaltje.

Vledder zuchtte. ‘Je treedt voortdurend de wet met voeten,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Dat kan nooit goed gaan. Vandaag of morgen krijg je er een hoop last mee.’

De Cock glimlachte. ‘Vandaag niet,’ zei hij zorgeloos, ‘en morgen… wie dan leeft, wie dan zorgt. Weet je, mijn oude moeder zei altijd… jongen, de mensheid lijdt het meest aan het lijden dat zij vreest.’

Vledder snoof. ‘Je had een wijze oude moeder,’ zei hij schamper. De Cock knikte instemmend. ‘Ze sloeg zich door het leven met citaten en bijbelteksten. Ik heb haar daar altijd om bewonderd. Haar meest favoriete was…’

Vledder porde de rechercheur in de rug. ‘Schiet op. Als je nog lang aan dat slot blijft morrelen, heb je straks een volksverzameling om je heen.’

De Cock wiste met de rug van zijn hand het zweet van zijn voorhoofd. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij loom. ‘Ik moet voortmaken. Maar het is een oud, uitgesleten slot. Ik schat uit de tijd van Napoleon.’

Steeds schoof hij een andere baard uit het koperen houdertje naar voren. Het ging niet zo vlot als anders. De Cock voelde zich wat nerveus, gespannen. Zijn anders zo gevoelige vingertoppen weigerden juist dat beetje extra toewijding dat hij nodig had. Het duurde zeker vijf minuten voor hij het oude slot had teruggedraaid. Zachtjes drukte hij de ijzeren kruk naar beneden. ‘Ga opzij,’ fl uisterde hij. ‘Je weet nooit wat iemand van binnenuit gaat doen.’

Hij gaf de deur een duw. Geruisloos gleed ze open. Een paar seconden bleven de beide rechercheurs staan, wachtend op reacties. Er gebeurde niets. Vledder wipte naar binnen, snel, met katachtige bewegingen. De Cock volgde, traag, behoedzaam.


Het duurde enige tijd voor hun ogen aan de duisternis waren gewend. Langzaam kreeg het interieur contouren.

Vledder deed de buitendeur zachtjes dicht en liet het licht van zijn zaklantaarn door het vertrek glijden. Het was op een vreemde, bijna bizarre manier ingericht met fraaie Perzische tapijten op de vloer en aan de wanden. Turkse en Marokkaanse attributen zorgden voor een oosterse sfeer. Op de grond, rondom, lagen grijswitte berenvachten, poefs en bergen kussens.

‘Sjeik Jonathan,’ grapte Vledder.

De Cock reageerde niet. Voorzichtig stapte hij verder. Het oude huis bleek niet diep. Een bamboegordijn scheidde het oosterse vertrek van een kleine westerse keuken, een soort kombuis met een hypermoderne outillage. Vandaar liep een metalen trap wentelend omhoog.

De Cock keek rond. Het keukentje was Hollands proper. De stalen aanrecht en de witbetegelde vloer waren pijnlijk schoon. Aarzelend liep De Cock de trap op. Boven was een luik. Nog steeds op zijn hoede drukte hij het omhoog. Hij was verdacht op verrassingen. Ze kwamen niet. Omzichtig ging hij verder. Aan de voorzijde van het huis ontdekte hij een donzig slaapvertrek en achter, direct boven de keuken, een miniatuur van een badkamer in oudroze. Hij keek een tijdje speurend rond en liet zich toen weer langs de metalen wenteltrap zakken.

Hij vond de jonge Vledder in het oosterse vertrek. Hij zat op een stapel kussens, een blocnote op zijn knieën. Boven zijn hoofd brandde een mystiek licht.

‘Er is boven niets… niemand,’ rapporteerde De Cock, ‘en alles is schoongemaakt.’

Vledder keek op. ‘Onze zorgvuldige moordenaar,’ zei hij bitter, ‘heeft weer alle sporen uitgewist. We zullen nog moeite krijgen met de bewijsvoering.’

‘Urineplekken?’

Vledder maakte een weids gebaar. ‘Niets gevonden. En ruiken doe je ook niets. Alles stinkt naar wierook. Het lijkt wel een hippietempel.’

De Cock knikte. ‘Er zijn ook geen stoelen of banken,’ merkte hij op.

Vledder glimlachte. ‘Jonathan,’ zei hij spottend, ‘leefde laag bij de grond. Er zijn alleen maar vachten en kussens. Hij moet zijn tijd hier vrijwel liggend hebben doorgebracht.’

De Cock beende verveeld door het vertrek, schopte nonchalant een paar kussens in een hoek. ‘Wat moeten we nog langer hier in dit hok zoeken,’ riep hij kriegel. ‘Of heb je nog suggesties?’

Vledder tikte met de ballpoint op zijn blocnote. ‘Ik heb een paar notities gemaakt.’

‘Waarvan?’

‘De moord op Juliette. Wanneer we de zaak reconstrueren komen we ongeveer tot het volgende beeld.’ Hij kuchte. ‘Jonathan van der Wheere bezorgt… of laat aan haar huis aan de Spiegelgracht bezorgen… een brief, waarin hij haar uitnodigt om ’s avonds om acht uur naar de Sint-Jansstraat te komen. Het feit dat de brief uit de enveloppe is gehaald, duidt in die richting. Juliette geeft niets vermoedend aan de uitnodiging gehoor en laat zich na het dineetje in het Amstelhotel door André Beerenburgh naar de Dam rijden. Ze wandelt vandaar naar dit huis in de Sint-Jansstraat, waar ze door haar moordenaar wordt opgewacht. Jonathan wurgt haar, wacht rustig tot het buiten donker is en legt haar lichaam om de hoek in de Leidekkerssteeg. Het medaillon, dat hij kort voor of na haar dood van haar hals heeft gerukt, verkoopt hij de volgende morgen in de Reestraat aan antiquair Van Groenewegen, aan wie hij zich met zijn paspoort legitimeert.’ Vledder borg zijn blocnote op en keek omhoog. ‘Hoe vind je het?’

De Cock schoof zijn dikke onderlip naar voren. ‘Het klinkt overtuigend.’

Vledder kwam overeind, peilde het gezicht van De Cock. Hij had in de stem van de rechercheur een ondertoon beluisterd, die hem waakzaam maakte. ‘Is… eh… is het niet goed?’

De Cock keek hem aan, zijn linkerwenkbrauw opgetrokken. ‘Het klinkt overtuigend,’ herhaalde hij. ‘Je zou het woordelijk in een proces-verbaal kunnen opnemen.’ Hij draaide zich om en liep naar de deur. ‘Kom, we gaan. Doe het licht weer uit en leg alles, zoals we het gevonden hebben. Misschien komt hij terug.’ Vledder schoof een poef tegen de wand, verlegde een paar kussens en sjokte onwillig achter hem aan. ‘Je bent het er niet mee eens?’ vroeg hij nog eens, weifelend, onzeker.

De Cock antwoordde niet. Hij keek op zijn horloge. ‘Mijn vrouw heeft mij voor vanavond een kaasfondue beloofd, compleet met stokbrood en een verrukkelijke Bordeaux.’

‘Je bedoelt dat je nu naar huis gaat.’

De Cock glimlachte. ‘Ik vind het mooi voor vandaag. Als je morgenochtend tijd hebt, zoek dan even voor mij uit waar het jacht de Julia nu ligt en probeer erachter te komen waar de ouders van die matroos wonen.’

‘Johan Peter Opperman.’

‘Precies. Ik wil eens een praatje met hen maken.’

Vledder keek hem argwanend aan. ‘En wat doe jij morgenochtend?’

De Cock frommelde het slot dicht. ‘De oude mevrouw Van der Wheere en Juliette worden morgenochtend gelijktijdig begraven. Op Zorgvlied.’

‘Daar ga je heen?’

De Cock knikte. ‘Ik ben dol op begrafenissen.’

‘Moeder en dochter… door wrede moordenaarshand gevallen.’

De stem van de oude dominee klonk gedragen door de aula. ‘Wij vragen U, o God, mogen beiden zich koesteren in Uw barmhartigheid.’

‘En de moordenaar?’

Jerome van der Wheere keek verrast opzij. ‘Heeft hij Gods barmhartigheid nodig?’

De Cock boog zich fl uisterend naar hem toe. ‘Vindt u niet?’

Jerome slikte. Zijn gezicht kleurde dieprood. ‘Dat de fi olen…’ Hij sprak zacht, maakte zijn zin niet af.

De Cock was puritein genoeg om de verwensing te vatten. ‘Dat de fi olen,’ lispelde hij, ‘van Zijn toorn zich over hem uitstorten.’

Jerome knikte met samengeknepen lippen.

De dominee eindigde zijn gebed. Het ‘amen’ galmde tegen de wanden. Wat stijfjes liep hij van het kathedertje weg. Orgelmuziek daalde over hen neer.

Een tijdje zaten ze zwijgend in het halfduister, toen gingen de deuren open. Een dubbele stoet dragers trad schuifelend naar binnen. Ze tilden de beide met bloemen bedekte baren op hun schouders. Zacht wiegend droegen ze de doden naar buiten. Het felle zonlicht glinsterde in het grove grind. Langzaam stroomde de aula leeg.

De Cock slenterde bij Jerome vandaan en zocht zich een plaatsje achter in de stoet. Er was veel belangstelling. Hij ontdekte een paar leden van de Amsterdamse gemeenteraad, enige directeuren van bedrijven en een staatssecretaris uit Den Haag. Deftig, de gezichten in een gelegenheidsplooi.

Schuin rechts voor hem uit, eenzaam, wat verloren, liep André Beerenburgh. Het grijze haar aan de slapen stond wijduit, losgewaaid door een zwoel windje, dat de populieren rond de begraafplaats bewoog. De Cock versnelde zijn pas, haalde hem langzaam in. Toen de stoet zich om de groeve opstelde, ging hij achter hem staan. Hij lette scherp op zijn reacties, toen de beide doden op de grafl ift werden gelegd. André Beerenburgh scheen onbewogen. Eerst toen de kisten langzaam zakten, toonde hij enige emotie. Uit zijn grote bruine ogen gleed een traan. Zijn adamsappel schoof heen en weer. Zijn mond bewoog. ‘Adieu Juliette.’ Hij zei nog meer, maar De Cock nam afstand. Zijn gevoel van piëteit dwong hem daartoe. Een moment later had hij spijt en stapte weer naar voren.

De staatssecretaris sprak koel en met grote routine gevoelige woorden. Het maakte het warme hart van De Cock opstandig. Hij haatte clichés en holle frasen.

Toen Jerome van der Wheere een dankwoord had gesproken, schuifelde de stoet van de groeve weg.

André Beerenburgh keek opzij. ‘U bent er ook?’ In zijn stem klonk verwondering.

De Cock knikte traag. ‘Uit medeleven,’ sprak hij ernstig.

André Beerenburgh boog het hoofd. ‘Ik heb dit niet gewild,’ zei hij zacht.

De Cock keek hem aan. ‘Wat heeft u niet gewild?’

‘Die dubbele begrafenis. Ik had Juliette graag alleen begraven. Begrijpt u. Zonder al die mensen. Ik had alleen afscheid van haar willen nemen. Ver weg. Ergens op een klein intiem kerkhof.’

‘En?’

‘De machtige C.I.H. stond het niet toe.’

‘U bedoelt… Jerome stond het niet toe.’

Hij snoof verachtelijk. ‘Ze moest naast haar moeder begraven worden. Herenigd in de dood, zoals hij dat noemde.’ Hij schudde triest het hoofd. ‘Juliette heeft nooit van haar gehouden. Ik heb wel eens gedacht dat ze mij alleen heeft getrouwd om voorgoed van dat oude serpent bevrijd te zijn.’

‘Dat klinkt hard.’

André Beerenburgh knikte. ‘Ik moest feitelijk mijn mond houden. Het is tegen de code. Al hebben ze het leven van anderen vergald… over de doden niets dan goeds.’

Een tijdje liepen ze zwijgend voort. De Cock wees om zich heen. ‘Ik heb broer Jonathan niet gezien,’ zei hij achteloos.

Er gleed een glimlach om de lippen van André Beerenburgh, een kille, bijna wrede glimlach. ‘Ik hoop dat hij gauw weer toeslaat.’

De Cock keek getroffen naar hem op. ‘Jonathan?’

‘Ja, natuurlijk, Jonathan.’

‘Bent u dan niet bang?’

André Beerenburgh reageerde verwonderd. ‘Ik heb toch niets te vrezen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Wie dan wel?’

‘Jerome… hij is een Van der Wheere.’

Загрузка...