De nacht was zwoel. De warmte van de dag trilde nog na, kleefde aan het asfalt, de muren. De oude binnenstad lag te dommelen, slapen deed ze nooit. Er waren altijd mensen in de straten, op de pleinen en grachten. Vledder stuurde de politiewagen snel, ongehinderd over de Dam, het Rokin. Het tumultueuze verkeer van overdag was er niet. Een enkele auto raasde voort, een taxi, een runner,[3] een snorder,[4] een late feestganger op weg naar huis.
Vledder parkeerde de wagen aan de walkant op de hoek van de Prinsengracht. Hij sloot de mobilofoon en draaide het contact af. De oude motor dieselde nog een beetje na. Ze stapten uit en deden de portieren zachtjes dicht. Langzaam slenterden ze over de brug naar de zijde van de Spiegelgracht.
Bij nummer 237 bleven de beide rechercheurs staan en keken omhoog. Er brandde geen licht. Op de glimmend gelakte buitendeur zat een geelkoperen plaat met J. v.d. Wheere in zwarte letters.
De Cock drukte op de bel. Het gerinkel klonk tot buiten door. Ze wachtten geduldig. Er gebeurde niets. Geen enkele reactie. Toen het geluid van de bel was weggeëbd, doezelde het grachtje verder. Na een paar minuten haalde De Cock de sleutels uit zijn zak en ontsloot de zware buitendeur. Ze keken scherp om zich heen. Er was niemand… niemand in hun gezichtskring. Ze duwden de deur verder open en gingen naar binnen. Voorzichtig, in het schaarse licht van hun zaklantaarns, stapten ze de hal in. Daar bleven ze staan en luisterden. Er was geen enkel gerucht. Het huis scheen verlaten. Een grote staande klok tikte traag de seconden weg.
Voor hen lag een lange, marmeren gang. Omzichtig stapten ze verder. De gang voerde naar een modern ingerichte keuken. De Cock keek om zich heen, voelde aan de pannen, bekeek het fornuis en liet zijn wijsvinger langs de dekplaat glijden. Daarna deed hij de koelkast open. Het interieurlichtje wierp grote slagschaduwen op de wanden en tegen het plafond.
Vledder grijnsde. ‘Heb je honger?’
De Cock antwoordde niet. Hij verliet de keuken, stapte de gang weer in en kwam via een deur rechts in een ruime, hoge zitkamer. Hij liep naar het raam. De rode velours gordijnen waren dichtgetrokken.
Vanaf het raam liet hij het licht van zijn zaklantaarn door het vertrek glijden. Het ovaal danste over de zwartmarmeren schoorsteen, de ouderwetse pendule, de leren bank, de diepe fauteuils en de in smeedijzer gevatte onyxtafel. Hij liep naar de bank en bekeek haar zorgvuldig. Daarna bukte hij zich en streek met zijn tastende vingers over het vloerkleed.
Vledder keek vanuit de hoogte op hem neer. ‘Wat dacht je te vinden?’
‘Een natte plek.’
‘Wat?’
De Cock kwam weer overeind. ‘Een natte plek,’ herhaalde hij. ‘Juliette van der Wheere stierf door wurging. Herinner je je nog?’ Het klonk wat sarcastisch.
Vledder beet op zijn onderlip en knikte. ‘En bij wurging,’ vulde hij aan, ‘hebben de meeste slachtoffers in hun doodsstrijd een urinelozing.’
Hij sprak schools, speels, spottend. Maar met een ondertoon vol wrevel. Inwendig ergerde hij zich dat hij niet zelf aan die mogelijkheid had gedacht. De oude De Cock had gelijk. Juliette van der Wheere kon best in haar eigen huis zijn vermoord en later, als afl eidingsmanoeuvre, door de moordenaar naar de vieze Leidekkerssteeg zijn gebracht. Hij keek rond. ‘Er zijn geen sporen van een worsteling.’
De Cock schudde het hoofd. ‘Dat hoeft ook niet. Misschien had ze geen kans zich te verweren. Als de wurger zijn handwerk kende…’
Plotseling stokte hij. Buiten op de stille gracht klonk het schurende, gierende geluid van remmende banden, gevolgd door het dichtslaan van een portier. Rechercheur De Cock sloop naar het raam en keek door een kier van het gordijn naar buiten. Hij zag een man met lichte tred naar het huis lopen. ‘Doe je zaklantaarn uit,’ riep hij gedempt. ‘Daar komt iemand.’
Vanuit de gang klonk het klikken van een slot. Het licht van de gang fl oepte aan. Het scheen over de drempel de kamer in. De beide rechercheurs stonden naast elkaar, volgden gespannen de geluiden. De zware buitendeur dreunde zachtjes dicht. Voorzichtig gingen voetstappen door de hal, aarzelden bij de opgang van de trap. Het duurde maar even. Toen schoven ze de marmeren gang in. Vledder trok zijn pistool en posteerde zich naast de kamerdeur. In de gele lichtstrook boven de drempel stak de schaduw van twee voeten. Seconden vergleden als uren. Het was alsof de man achter de deur weifelde, zich bewust van het gevaar dat dreigde.
De kruk bewoog langzaam. De deur gleed open en het licht van de gang waaierde de kamer in. Een moment tekende het silhouet van de man zich in de deuropening af. Toen baadde de kamer in het volle licht.
De man keek geschrokken, verrast door de gestalte voor hem… een zwaargebouwde man met het vriendelijk plooiengezicht van een goedhartige bokser. Hij kwam met uitgestoken hand uit een fauteuil omhoog. ‘Mijn naam is De Cock… met ceeooceekaa.’ De man slikte. ‘De Cock?’ herhaalde hij hakkelend.
‘Juist. En als u zich een kwartslag draait… bij de schakelaar, Dick Vledder, mijn onvolprezen hulp.’
Hij keek verward om zich heen, ontmoette het strakke gezicht van de jonge rechercheur. ‘Wat… eh… wat moet u hier?’
De Cock antwoordde niet. Hij hield het hoofd een beetje schuin en nam de ander nauwkeurig op. Hij schatte hem op voor in de veertig, een lange, slanke, niet onknappe man met grote, bruine ogen en zwart, golvend haar, beginnend grijs aan de slapen.
‘Wie heeft u binnengelaten?’ De stem van de man werd iets vaster.
Rechercheur De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. Hij genoot van de situatie. ‘Ik kan me niet herinneren dat u zich aan ons heeft voorgesteld… is het wel?’
De man bracht zijn kin iets naar voren. ‘Beerenburgh… André Beerenburgh. Ik ben een vriend… een goede vriend van Juliette.’ De Cock glimlachte. ‘Ik begrijp het. Zo goed, dat u over de sleutels van haar huis beschikt.’
André Beerenburgh maakte een artistiek gebaar. ‘Dat is een oud privilege. Het is mij nooit ontnomen. Ik ben namelijk meer dan vijf jaar met haar getrouwd geweest.’
De Cock knikte traag. ‘Vijf jaar,’ zei hij nadenkend, ‘en uw relaties met uw ex-vrouw zijn nog zo intiem dat u het zich kunt permitteren om zomaar midden in de nacht binnen te vallen.’ Hij keek hem onderzoekend aan. ‘U heeft nog steeds de supervisie?’
‘Supervisie?’
‘Ja. Ik kan me niet herinneren dat u heeft gebeld. Was het een onaangekondigde controle?’
Het gezicht van André Beerenburgh werd rood. ‘Ik ben wettig van haar gescheiden,’ riep hij wild. ‘Juliette is volkomen vrij om te doen en te laten wat zij wil. Ik houd geen toezicht.’
De Cock plooide zijn gezicht in ongeloof. ‘Geen toezicht?’ vroeg hij lichtelijk verbaasd. ‘Wat is het dan? Hoe wilt u uw nachtelijk bezoek dan verklaren?’
André Beerenburgh schudde verward het hoofd. Hij leek sprakeloos. Zijn mond zakte open. ‘Verklaren? Verklaren?’ sprak hij afwezig.
De Cock knikte hem vriendelijk toe. ‘Ik wacht,’ zei hij laconiek. ‘Wat doet u hier?’
De man staarde hem aan, vreemd, verbijsterd. Toen scheen er iets in hem te knappen, sprongen de banden van zijn zelfbeheersing. Hij gebaarde plotseling heftig. Zijn grote, donkere ogen schoten vuur. ‘Dat… eh… dat gaat u geen bliksem aan,’ schreeuwde hij. ‘Ik heb u niets te verklaren. Niets, begrijpt u, niets. Wie geeft u het recht dit huis binnen te dringen en mij impertinente vragen te stellen? Ik wil dat u onmiddellijk vertrekt.’
De Cock keek hem scherp aan, lette op elke expressie van het gezicht. ‘Ik vertrek alleen,’ zei hij traag, ‘op het uitdrukkelijk verzoek van de bewoonster.’
André Beerenburgh klemde zijn lippen op elkaar. ‘Ik ga het haar onmiddellijk vragen. Is ze boven?’
‘Wie?’
‘Juliette.’
De Cock antwoordde niet direct. Hij schoof zijn dikke onderlip naar voren en haalde zijn schouders op. ‘Of ze boven is…’ Hij weifelde, ‘…dat is niet aan mij om te beoordelen.’
André Beerenburgh keek de rechercheur aan. Onderzoekend. Er was iets in de toon van de oude rechercheur dat hem verwarde. ‘Ik begrijp u niet,’ zei hij onzeker.
De Cock zuchtte. ‘Juliette van der Wheere,’ sprak hij gedragen, ‘is niet… behoort niet meer tot de levenden. Ze werd een paar uur geleden vermoord.’
Het duurde een paar seconden voordat de woorden van De Cock tot hem doordrongen. Toen sloeg hij verbijsterd de handen tegen het hoofd. Zijn gezicht zag asgrauw. ‘Vermoord?’ vroeg hij hees.
De Cock knikte. ‘Gewurgd.’
André Beerenburgh wankelde. Zijn tastende hand zocht houvast aan de deurstijl. ‘Dus toch.’
De Cock reageerde scherp. ‘U bedoelt?’
‘Ik heb het al weken zien aankomen.’
‘De moord?’
André Beerenburgh knikte. ‘Iets dergelijks. Men kan niet ongestraft met gevoelens van anderen spelen. Dat kan niet. Ik heb haar gewaarschuwd. Steeds weer. Maar ze wilde nooit luisteren.’ Hij lachte vreugdeloos. ‘Ze dacht dat alle mannen zo tolerant waren als ik.’
De Cock keek hem aan. ‘U was tolerant?’
‘Tot in het waanzinnige.’
‘U bent van haar gescheiden.’
‘Omdat Juliette het wilde. Ze wilde haar vrijheid terug.’ Hij lachte opnieuw, vreemd, grinnikend, met een wreed vertrokken mond. ‘Vrijheid. Ze onderhield al relaties met tal van mannen toen we nog getrouwd waren. Openlijk.’
‘Ze was u dus ontrouw.’
‘Schaamteloos was ze. Ze deed niet eens haar best haar ontrouw voor mij te verbergen. Toen de scheiding was uitgesproken, barstte ze pas werkelijk los. Men sprak er algemeen schande van.’
De Cock maakte een gebaar met zijn hand. ‘Dat kon u toch onverschillig zijn.’
André Beerenburgh liet zich in een van de fauteuils zakken. Zijn gezicht kreeg weer wat kleur.
‘Ik hield van haar,’ zei hij toonloos. Hij keek de rechercheur aan. ‘Liefde eindigt niet op het moment dat je advocaat je belt en zegt dat je bent gescheiden. Het blijft. Je weigert te geloven dat in de ander alles is gedoofd wat vroeger was…’ hij schudde droevig het hoofd, ‘…of misschien nooit is geweest.’ Het klonk bijna cynisch.
De Cock ging tegenover hem op de bank zitten. ‘Als ik u goed beluister, dan had de scheiding voor u geen wezenlijke betekenis. U woonde niet meer op hetzelfde adres. Dat was alles. Uw gevoelens voor haar veranderden niet. U bleef haar in het oog houden.’
André Beerenburgh klemde zijn lippen op elkaar. ‘Ik controleerde haar niet,’ riep hij fel.
De Cock knikte bedaard. ‘Dat heeft u al eens gezegd,’ zei hij kalm. ‘Maar de plotselinge dood van Juliette van der Wheere verbaasde u niet. U had het min of meer verwacht.’
Hij boog zich iets naar voren. Zijn grijze ogen keken de man voor hem scherp aan. ‘André Beerenburgh… wie was niet zo tolerant als u?’