14

De Cock beende wild gesticulerend door de recherchekamer.

‘Volg haar,’ gebood hij.

Vledder stoof op hem af.

‘Wie?’

‘Dat blonde ding… Margootje. Doe het niet zelf. Laat Van Dijk achter haar aan gaan. Jij loopt direct in de gaten. Ze kent jou.’

Vledder sleurde Robert Antoine van Dijk achter zijn bureau vandaan en rende met hem de trap af.

De Cock keek het tweetal na. Hij wilde weten waar ze heenging, Margootje van Stové, de aanstaande echtgenote van Jonathan. Het onderhoud met haar had hem verward, zijn denkbeelden opeengedreven tot een hoop roestig schroot. Hoe langer hij met de zaak bezig was, hoe verder hij van de oplossing scheen weg te drijven. Hij had André Beerenburgh naar zijn gevoel al van de kandidatenlijst geschrapt. En nu kwam een klein blond en bovenal opwindend schepseltje hem vertellen dat André Beerenburgh een zoon had, een volkomen legale zoon, ‘staande’, zoals het Burgerlijk Wetboek verlangde, zijn huwelijk met Juliette geboren.

De Cock liep terug naar zijn bureau. Wanneer men de zaak, bepeinsde hij, koel overdacht, zat er lijn in. Hij liet zich in zijn stoel zakken en gaf zijn gedachten de vrije loop.

André Beerenburgh doodt de oude Henri. Het moet voor hem aan boord van de Julia niet moeilijk zijn geweest in het eten of drinken van de oude man een snelwerkend vergif te doen. Om een schandaal te voorkomen wordt de moord door dokter Van Gelderen, op dringend verzoek van de familie, tot een natuurlijke dood omgebogen. Er volgt geen boedelscheiding. Het kapitaal van de Van der Wheeres blijft in handen van de oude vrouw, die aan Jerome de leiding van de C.I.H. toevertrouwt. Na Juliette doodt André Beerenburgh de oude dame. Het kapitaal, en daarmee de machtspositie in de C.I.H., zal nu moeten worden verdeeld. Jonathan, Jerome… en het derde deel voor de wettige erfgenaam van Juliette van der Wheere. De Cock grinnikte voor zich uit. En het tijdelijk beheer tot de jonge erfgenaam meerderjarig is… aan wie anders… André Beerenburgh, de vader, man van onbesproken gedrag, op wie geen smet valt te werpen.

‘Binnenpretjes?’

De Cock keek omhoog. Voor hem stond Ben Kreuger. Hij was zo in zijn gedachten verdiept geweest, dat hij hem niet had zien komen.


De oude dactyloscoop legde zijn aktetas op het bureau en ging zitten. ‘Ik heb een hoop werk voor je gedaan,’ zei hij glunderend.

‘Werk?’ vroeg De Cock wat afwezig.

‘Ja. Ik had nog die enveloppe uit het tasje van Juliette. Ik heb hem met jodiumdampen behandeld. Maar het is niets geworden. Ik heb het idee dat het al een oude enveloppe is. Hij is zwaar beduimeld. De papillairlijnen staan kriskras door elkaar heen. Er was niets mee te beginnen.’

De Cock keek hem verbaasd aan. ‘Kom je helemaal naar mij toe om mij dat te vertellen?’

Ben Kreuger glimlachte. ‘Ik heb wat anders voor je.’ Hij pakte zijn aktetas en zette die op zijn schoot. ‘Bij de moord op de oude mevrouw Van der Wheere was alles weer minutieus schoongemaakt.’

‘Dat weet ik al van Vledder.’

Kreuger verschoof iets op zijn stoel. ‘Er lagen op het kabinetje beneden en op de vloer een stel papieren.’

‘En die heb je met jodiumdampen onderzocht?’

Kreuger knikte. ‘Ik heb er mooie afdrukken op gevonden. Zij zijn fotografi sch vastgelegd.’

‘Dat had je mij wel eens kunnen zeggen.’

Kreuger schudde grijnzend het hoofd. ‘Dat had geen zin. Op alle papieren vind je afdrukken… van de typistes… van de man of vrouw die tekent… van de ontvanger. Dat zegt allemaal niets.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Ga verder.’

Kreuger keek wat verdrietig. ‘Ik had bij die moorden zo weinig voor je kunnen doen, De Cock. Er was niets. Dat zat me een beetje dwars. Vandaar die papieren. Het haalt in de regel niets uit. Maar ik wilde het proberen. Ik ben naar het hoofdkantoor van de C.I.H. gegaan en ik heb Jerome van der Wheere gevraagd van wie er vingerafdrukken op die papieren waren te verwachten.’

‘En?’

‘Hij noemde mevrouw Van der Wheere, de oude Henri, enkele typistes, een paar jongste bedienden, meneer Van Drunnen en hemzelf. Meneer Jerome was heel bereidwillig. Hij verleende volle medewerking. Ik heb ook alle vingerafdrukken gekregen.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar de vingers van de oude meneer en mevrouw Van der Wheere had je niet.’

Kreuger lachte. ‘Die had ik wel. Bij het onderzoek in villa Jolanda had ik ze al van de oude mevrouw genomen. En de vingers van meneer Henri heb ik achterhaald.’

‘Achterhaald?’

De oude dactyloscoop gniffelde. ‘Het was niet zo moeilijk. Kijk, wanneer je een brief vasthoudt, krijg je een duidelijke afdruk van de duim aan de voorkant, en vage afdrukken van de vingers aan de achterkant van het papier. De meeste bescheiden waren door de oude Henri zelf ondertekend. Wanneer mensen hun handtekening plaatsen, houden ze het papier met de toppen van hun vingers vast. Om het schuiven tegen te gaan. Begrijp je. Zo ook de oude Henri. Het duurde een paar uurtjes. Toen had ik al zijn prentjes bij elkaar.’

De Cock trok aan zijn oorlelletje. ‘Prachtig… maar wat wil je ermee?’

Kreuger zuchtte. ‘Ik hoopte een afdruk te vinden van iemand die in onze collectie voorkomt… een of andere inbreker. Snap je?’

De Cock glimlachte. ‘En die was er niet.’

Kreuger schudde het hoofd. ‘Die was er niet,’ herhaalde hij traag. ‘Maar op alle papieren vond ik afdrukken van meneer Van Drunnen… hele duidelijke afdrukken.’ De oude dactyloscoop aarzelde even. ‘Ook op brieven die in meer dan dertig jaar niet uit het kabinetje zijn geweest.’


‘Van Dijk zit op haar spoor. Hij zal onmiddellijk bellen, zo gauw hij wat weet. Het helblonde ding is makkelijk te volgen, dacht ik.’ De Cock grinnikte. ‘Als ze niet in een snelle wagen stapt.’

Vledder haalde zijn schouders op. ‘Dan hebben we pech. Wat kwam ze feitelijk doen?’

De Cock streek met zijn hand over zijn haar. ‘Vertellen dat ze met Jonathan van der Wheere in De Rijp zou trouwen en dat André Beerenburgh een zoon heeft.’

‘Een zoon?’

De Cock schoof zijn dikke onderlip vooruit. Zijn gezicht stond ernstig. ‘Wettig erfgenaam van Juliette van der Wheere.’

Vledder keek hem verbijsterd aan. ‘Verdomme.’ Het kwam uit de grond van zijn hart.

De Cock schudde bestraffend het hoofd. ‘Je mag volgens de ambtsinstructie niet vloeken.’ Het klonk spottend.

De jonge rechercheur negeerde de opmerking. ‘Maar… maar daar heeft hij nooit iets van gezegd,’ riep hij verontwaardigd.

De Cock knikte traag. ‘Dat maakt André Beerenburgh tot een ernstige kandidaat.’ Hij zuchtte omstandig. ‘En alsof één dreun op mijn hersens niet voldoende was, kwam de oude Kreuger mij nog vertellen dat hij op papieren in villa Jolanda de vingerafdrukken van Janus van Drunnen heeft gevonden.’

‘Dat kan toch?’

De Cock liet vermoeid het hoofd zakken. ‘Maar niet op brieven die al meer dan dertig jaar geleden in het kabinetje zijn weggeborgen.’

Een tijdlang zwegen ze. Vledder keek vanuit de hoogte op zijn oude mentor neer. ‘Weet je waar we beiden behoefte aan hebben?’ vroeg hij plotseling.

De Cock keek naar hem op. ‘Zeg het eens.’

‘Een cognacje.’

Er gleed een blijde glimlach over het brede gezicht van de rechercheur. Hij stond op, legde zijn arm om de schouders van zijn collega en drukte hem zachtjes vooruit. ‘Je hebt gelijk… Lowietje brengt vertroosting.’


De beide rechercheurs slenterden zij aan zij over de Achterburgwal. Op de hoek van de oude Barndesteeg schoven ze de zware met leer afgezette gordijnen opzij en gingen naar binnen. Het was stil en schemerig in het intieme lokaaltje van Lowie. Aan een tafeltje achteraf zat een jong business-vrouwtje heel professioneel te vrijen met een statige heer op leeftijd. Er stonden al drie lege wijnfl essen op tafel en De Cock concludeerde koel dat het jonge ding haar vak verstond. Aan de bar zat Zwarte Gonny.

De smalle caféhouder keek het tweetal verbaasd aan. ‘Als je over de duivel spreekt…’

De Cock wees met zijn duim naar Vledder. ‘De duivel heeft een collega meegenomen.’

Lowietje trok zijn muizensmoeltje in een glimlach. ‘Ik had het net met Gonny over jullie. Ze had vanmorgen de krant gelezen. Ze kent die broer, zegt ze.’

‘Jonathan?’

Smalle Lowietje knikte, pakte een fl es cognac vanonder de bak en zette drie bolle glazen op een rijtje. ‘De jonge heer ook een cognacje?’

‘Graag.’

De caféhouder schonk klokkend in. ‘Ik zeg tegen Gonny… als je die vent kent, dan moet je dat aan de kit gaan vertellen. De Cock heeft er vast belangstelling voor.’

Zwarte Gonny zweefde naderbij.

‘Ik ken Jonathan,’ zei ze met een dikke tong. ‘Een lieve jongen.’

De Cock lachte haar vriendelijk toe. ‘Wil je wat drinken?’

‘Een martini.’

Hij wenkte Lowietje. ‘Een martini voor de dame.’

Er kwam een schittering in haar ogen. ‘De galante ridder van de buurt.’ Ze lachte schor. ‘Nog steeds achter dieven en moordenaars?’

De Cock trok een droef gezicht. ‘Het is mijn noodlot.’

Ze hees zich naast hem op een kruk en leunde vertrouwelijk tegen hem aan. ‘Dit keer zit je ernaast, ouwe jongen. Helemaal mis.’ Ze nam een fl inke teug van haar Martini. ‘Jonathan is niet de man die je moet hebben. Ik bezweer het je. Jonathan is een gentleman.’

De Cock nipte aan zijn cognac.

‘En een gentleman moordt niet.’

Ze schonk hem een medelijdend lachje. ‘Jonathan is te veel heer om zo’n karwei zelf op te knappen. Begrijp je? Als hij van zijn familie af wilde, zou hij gewoon een mannetje huren.’

De Cock knikte, tastte in zijn zak naar sigaretten. ‘Hoe heb je hem leren kennen?’

Ze wuifde. ‘Gewoon, in de business.’

De Cock keek haar ongelovig aan.

Zwarte Gonny monsterde zijn gezicht, nam een sigaret uit zijn pakje. ‘Sta je van te kijken.’

De Cock gaf haar vuur. ‘Je bent een mooie vrouw, Gonny,’ zei hij vleiend.

Ze zoog haar longen vol rook. ‘Vroeger… vroeger was ik mooi.’ De rook walmde uit haar mond. ‘Wat was ik vroeger mooi… en chic.’ Ze gleed van haar kruk en liep voor de bar langs, paraderend, de linkerhand op de heup, de rechterhand wat vaag omhoog. Halverwege raakte ze uit balans en viel. De Cock schoot toe, maar voor hij haar had bereikt, was ze alweer overeind. Zwikkend op haar hoge hakjes kwam ze terug.

De Cock vatte haar bij de arm. ‘Blijf bij me,’ gebood hij zacht, ‘en vertel me van Jonathan.’

Ze wreef over een pijnlijke knie. ‘Jonathan… Jonathan hield feestjes.’ Ze boog haar hoofd schuin weg. ‘In een huis in de Sint-Jansstraat. Feestjes met vrienden. Soms hadden ze meisjes nodig.’

‘En dan liet hij jou roepen.’

Ze knikte. ‘Ik ging dan de buurt in en scharrelde een paar meisjes bij elkaar. Meestal dezelfde. Ze waren er tuk op. Jonathan betaalde goed.’

‘Wat waren het voor vrienden?’

Er kwam een trieste blik in haar donkere ogen. ‘Wat voor vrienden heeft zo’n man?’ Het klonk wat somber, melancholiek.

‘Weinig echte. Meest aasgieren, parasieten in dure pakken.’ Ze zuchtte diep. ‘Ik had wel eens medelijden met hem.’

‘Wilde Jonathan echt van zijn familie af?’

Ze hees zich weer op de kruk en nipte aan haar Martini. ‘Ach, als Jonathan dronken was, schreeuwde hij wel eens.’

‘Wat?’

Ze schudde weemoedig het hoofd, glimlachte bij de herinnering. ‘Een ton voor de man die het oude wijf van kant maakt.’

‘Zijn moeder?’

Zwarte Gonny knikte met een ernstig gezicht. ‘Hij had een gloeiende pest aan haar.’

Загрузка...