Het gezicht van de commissaris stond vriendelijk. Hij wuifde naar de stoel voor zijn bureau. De Cock bleef wat houterig staan. Hij pakte de foto van Jonathan van der Wheere uit de binnenzak van zijn colbert en legde die voor de commissaris neer.
‘Ik wil dit gezicht vanavond op de televisie met een uitgebreid verzoek om inlichtingen.’
De commissaris nam de foto op. ‘Wie is het?’
‘Jonathan van der Wheere.’
De grijze politiechef liet het portret uit zijn handen vallen als gold het gloeiend ijzer. Hij schoof het met zijn nagels naar De Cock terug en schudde fel het hoofd. ‘Dat gebeurt niet.’
De Cock tikte op de foto. ‘Die man wordt verdacht van het plegen van twee moorden,’ riep hij luid, nadrukkelijk. ‘En het heeft er alle schijn van dat zijn moordlust nog lang niet is bekoeld. Gistermiddag is er in Vught een duidelijke aanslag gepleegd op het leven van de kleine André Beerenburgh. We mogen niet langer lijdelijk toezin. Die man moet worden opgespoord. Zo snel mogelijk.’
De oude commissaris stak beide handen omhoog, de handpalmen naar voren. ‘Je kunt doen wat je wilt, De Cock,’ zei hij scherp, vinnig, ‘maar deze foto komt niet op de televisie.’
De Cock pakte het portret van Jonathan op en borg het gelaten in zijn binnenzak. ‘U weigert dus uw medewerking te verlenen?’ Het klonk wat dreigend.
De commissaris keek naar hem op. ‘Ik waarschuw je voor publicaties in de pers.
De Cock reageerde koel. ‘U hoeft mij niet te waarschuwen. Ik weet waar mijn verantwoordelijkheid ligt. Ik waarschuw u…’
Hij kneep zijn lippen op elkaar. ‘Als er iets met de kleine André Beerenburgh gebeurt, stel ik u persoonlijk aansprakelijk.’
De commissaris kwam met een rood hoofd overeind. Hij wilde iets zeggen.
De Cock keek hem hoofdschuddend aan. ‘U hoeft mij ook niet de kamer uit te sturen,’ zei hij rustig. ‘Ik ga zelf wel.’
Vledder keek hem somber aan. ‘Wat doen we nu?’
De Cock streek met zijn hand over zijn gezicht. ‘Alleen een wonder kan ons nog helpen,’ zei hij wat moedeloos. ‘Ik had gehoopt met het brengen van de foto van Jonathan van der Wheere op de tv het onderzoek nieuw leven in te blazen. Begrijp je, het wonder een handje te helpen. Maar de Ouwe wil er niet aan. Ik was er, eerlijk gezegd, al bang voor.’
‘Weet je niets anders?’
De Cock haalde wat nonchalant zijn schouders op. ‘Affi ches… in de vorm van een bijzonder opsporingsblad. Dat is het gebruikelijke recept. Maar het sorteert zo weinig effect. Het is niet dynamisch genoeg. Het duurt bovendien dagen voor ze over het hele land zijn verspreid.’
Hij krabde zich achter in de nek. Het was een gewoontegebaar wanneer hij nadacht. ‘Heb je van het portret nog reproducties laten maken?’
Vledder knikte traag. ‘Zo’n twintig. Ik ben zelf even naar het atelier gegaan. De reproducties zijn vanmiddag klaar. Het origineel kon ik direct mee terugnemen.’
‘Waar is Robert Antoine?’
Vledder glimlachte. ‘Van Dijk is weer met de bontmantel op sjouw.’
‘Was hij bij Margootje thuis?’
Vledder spreidde zijn armen. ‘Er was niets bijzonders. Hij heeft natuurlijk niet in alle vertrekken gesnuffeld, maar hij had niet het idee dat er buiten Margootje nog iemand in huis was.’
De Cock staarde voor zich uit. ‘Margootje van Stové… heb je nog geïnformeerd in De Rijp naar haar voorgenomen huwelijk met Jonathan?’
Vledder voelde wat verstrooid aan zijn voorhoofd. ‘Dat heb ik gedaan,’ zei hij nadenkend, ‘zeker, vrijwel onmiddellijk nadat jij het mij had gevraagd. Het klopte allemaal wel, herinner ik mij. Ze zijn ongeveer een week of vier geleden in ondertrouw gegaan. Een defi nitieve huwelijksdatum was nog niet vastgesteld.’ Hij schoof de lade van zijn bureau open en begon nerveus te zoeken. ‘Toch was er iets… iets vreemds. Ik weet alleen niet meer wat. Ik moet nog ergens aantekeningen hebben liggen.’ Plotseling verhelderde zijn gezicht. ‘Hier heb ik het.’
De Cock keek hem gespannen aan. ‘Wat was er vreemd?’
Vledder bestudeerde zijn notities. ‘Het adres… het adres van Jonathan.’
‘Wat is daarmee?’
Vledder gebaarde voor zich uit. ‘Ik dacht altijd dat Jonathan van der Wheere geen vast adres had, maar op de akte van ondertrouw stond: domicilie Ermelo, gemeente Nunspeet, Horsterzoomweg 191.’
De Cock staarde voor zich uit. ‘Ermelo,’ zei hij peinzend, ‘daar is… daar zijn toch psychiatrische inrichtingen?’
‘Wat zou dat?’
De Cock antwoordde niet. Hij slenterde naar de kapstok en greep zijn oude hoedje. ‘We gaan naar Margootje.’
Vledder keek hem verward aan. ‘Wat doen?’
De Cock draaide zich half om. In zijn ogen lag een wat wazige blik. ‘Op erewoord… een foto retourneren.’
Mooi, verleidelijk, uitdagend stond ze voor hen, Margootje van Stové, in een nauwsluitende pantalon en een niets verhullende doorkijkbloes. Het lange blonde haar was gevangen in een zwartfl uwelen bandje. De puriteinse ziel van De Cock kleurde. Maar daar was aan de buitenkant niets van te zien. Ze zweefde voor de beide rechercheurs uit naar een ruim vertrek met een carré van brede banken om een intieme schouw. Aan de wanden hingen fraaie schilderijen.
‘Een mooi appartement,’ zei De Cock oprecht bewonderend. ‘Sfeervol.’
Margootje glimlachte, gebaarde om zich heen. ‘Een geschenk van Jonathan,’ zei ze luchtig. ‘Maar, heren, ga toch zitten. Doe of je thuis bent.’ Ze wuifde uitnodigend naar de brede banken. Toen de rechercheurs hadden plaatsgenomen, ging ze tegenover hen zitten, de benen hoog opgetrokken, de armen om de knieën geslagen. ‘Jonathan is een gulle minnaar.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Minnaar?’
Ze keek hem wat spottend aan. ‘Minnaar… een vies woord, meneer De Cock?’
‘Ik dacht dat jullie gingen trouwen?’
Ze liet haar uitdagende houding wat varen. ‘Trouwen… als u hem van mij weghoudt… hoe kan ik dan trouwen? Jonathan zal best begrijpen dat u dit huis in de gaten houdt.’
De Cock tuitte zijn lippen. ‘Je zou met hem kunnen vluchten. Trouwen hoeft toch niet per se in De Rijp te gebeuren.’
Ze liet haar benen zakken, staarde naar de grond. ‘Ik heb niets meer van hem gehoord. Hij heeft niet meer gebeld, niet meer geschreven.’
De Cock keek haar onderzoekend aan. Hij beluisterde een duidelijke toon van teleurstelling, verdriet. ‘Wat is er aan de Horsterzoomweg in Ermelo?’
Ze keek naar hem op. ‘Hoe komt u daaraan?’
‘Het stond op de akte van ondertrouw.’
Ze trok een pruillipje. ‘Een oude villa. Voor de ondertrouw hadden we papieren nodig. Het bleek toen dat Jonathan nog steeds in Ermelo stond ingeschreven.’
‘Nog steeds?’
Ze knikte. ‘Jonathan is in Ermelo geboren. De villa is het eigendom van de Van der Wheeres. Vroeger woonde de familie daar in de zomermaanden.’
‘En nu… wie woont er nu?’
‘Volgens Jonathan is de villa al jaren niet meer in gebruik.’
‘Ben je er wel eens geweest?’
‘Twee maanden geleden ongeveer. Jonathan wilde dat we ons daar gingen vestigen. Hij zou aan zijn moeder vragen of de villa op zijn naam kon worden overgeschreven.’
‘En?’
‘Het zag er wat verwaarloosd uit. Donker en somber. Het leek mij niet zo erg. Maar Jonathan zei dat het een vriendelijk huis was, waaraan hij uit zijn jeugd de beste herinneringen bewaarde.’
‘Jullie hebben het laten opknappen?’
Ze schudde droevig het hoofd. ‘Zo ver zijn we niet gekomen. Het huis kon niet direct worden vrijgemaakt. Er waren wat moeilijkheden in de familie, geloof ik. Jonathan liet er zich nooit zo erg over uit.’
De Cock keek haar strak aan. ‘Stond men uw huwelijk in de weg?’
Ze begon te huilen, zacht, verdrietig. ‘De kliek… de kliek mocht me niet. Het oude mens wilde mij niet eens zien.’ Ze snikte, tranen gleden over haar wangen. ‘Toen Jonathan en ik bij haar op bezoek wilden, liet ze mij buiten de deur staan. Alleen Jonathan mocht naar binnen.’
‘En de anderen?’
‘Ik heb ze nooit ontmoet.’
De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Margootje… ben je zwanger?’
Ze keek met een betraand gezicht naar hem op. Er kleefden haren aan haar natte wangen en haar handen beefden een beetje. Ze was ineens niet meer dan een arm, hulpeloos, angstig kind.
‘Ben je zwanger?’
Ze knikte nauwelijks merkbaar. ‘We houden van elkaar,’ zei ze verontschuldigend, ‘echt, u moet dat geloven.’
‘Ik geloof het.’
Ze zuchtte. ‘En als Jonathan iets heeft gedaan, dan heeft hij dat om mij gedaan. Begrijpt u, omdat ze hem pestten, omdat ze niet wilden dat hij…’ Ze maakte haar zin niet af, strekte haar arm naar hem uit. ‘Hij moet komen, meneer De Cock,’ zei ze smekend. ‘Jonathan moet komen… om mij… om… eh… om alles.’
De Cock keek haar aan, een trieste blik in zijn ogen. ‘Hij zou moeten komen, Margootje, inderdaad, hij zou moeten komen.’ Hij kwam wat traag overeind en legde een hand op haar schokkende schouders. ‘Arm kind,’ zei hij somber, ‘ik ben bang dat het einde van jouw verdriet nog niet in zicht is.’
Vledder stuurde de politiewagen door het drukke stadsgewoel van Amsterdam. Op zijn lippen lag een milde glimlach. ‘Ik had met haar te doen,’ zei hij hoofdschuddend. Zijn stem trilde van tederheid. ‘Wat moet ze met het kindje als Jonathan voor de rest van zijn leven de gevangenis ingaat?’
De Cock bromde boosaardig. ‘In een crèche… waar anders?’
Vledder keek verrast opzij. De Cock was kennelijk uit zijn humeur. Zijn anders zo vriendelijk gezicht leek op een donderwolk kort voor een onweer. De jonge rechercheur wist wat dat betekende. De Cock worstelde met de woede van zijn onmacht. In zulke momenten was hij vaak onuitstaanbaar.
Hij reed rustig verder. Toen de bomen van de brug naar de Overtoom sloten, stopte hij in de fi le en draaide zich half om naar De Cock. ‘Het motief wordt steeds duidelijker,’ stelde hij. ‘De haat van Jonathan jegens zijn familie moet in de loop der jaren zijn uitgegroeid tot een obsessie. Vorig jaar werd hem een huwelijk met Lucienne van Dammen verboden, daarna stierf onder verdachte omstandigheden zijn vader, gevolgd door een manoeuvre van de oude mevrouw, waardoor de leiding van de C.I.H. bij Jerome kwam. En nu recent… het drama-Margootje.’
De Cock reageerde niet. Het leek alsof hij de woorden van zijn jonge collega niet hoorde, alsof de klanken hem niet bereikten. ‘Heb je nog genoeg benzine?’ vroeg hij plotseling. Vledder knikte. ‘De tank is bijna vol.’
De Cock zuchtte. Zijn hand gleed tastend naar zijn hoofd. ‘Rij naar Ermelo,’ zei hij zacht.