Commisaris Buitendam zat als een vertoornde vader achter zijn bureau. Zijn borstelige wenkbrauwen staken ver naar voren. Zijn neusvleugels trilden. Met een gebaar van ingehouden woede klapte hij op de krant die uitgeslagen voor hem lag. ‘Dat is jouw werk.’
De Cock keek de commissaris verward, niet-begrijpend aan. ‘Wat is mijn werk?’
De commissaris draaide de krant een kwartslag om en De Cock las hardop de vette koppen: ZAL DE WREKENDE ZOON ZIJN LUGUBER MOORDWERK VOORTZETTEN? WAAR IS JONATHAN? Hij plukte grijnzend aan zijn neus. ‘Moet dat mijn werk zijn?’
De commissaris kwam half uit zijn stoel overeind. ‘Dat heb jij ingeseind.’
De Cock klopte verontschuldigend op zijn borst. ‘Werk ik bij de pers?’
De commissaris schudde heftig het hoofd. ‘Bij de recherche. En dat betekent dat op jou de plicht rust tot geheimhouding. Dat schijn je nogal makkelijk te vergeten. Men is over dat krantenbericht hoogst verbolgen.’
De Cock trok zijn gezicht strak. ‘Wie is men?’ vroeg hij scherp.
De commissaris reageerde fel. ‘Dat gaat jou geen bliksem aan. Dat zijn mijn zaken. Je zult over dat krantenbericht nog wel het een en ander horen. Dat beloof ik je.’
De Cock schudde traag het hoofd. ‘Dat fraaie opsporingsbericht van Jonathan,’ zei hij met een zoet sarcasme, ‘waar men zo verrukt over was, komt overal op de telex. Zelfs in het verre buitenland. Het is voor een handige journalist…’ Hij stokte, glimlachte beleefd. ‘Als u het lek hebt gevonden, hoor ik het wel.’
Het gezicht van de oude commissaris zag bleek. Hij strekte zijn arm naar de deur. ‘Eruit!’ brulde hij.
De Cock ging.
‘Hoe was de begrafenis?’
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op. Gewoon, niets bijzonders. Er was vrij veel belangstelling. Zoals trouwens viel te verwachten. De Van der Wheeres zijn belangrijke mensen. Broer Jonathan liet verstek gaan. En ook dat verbaasde mij niet. Broer Jerome was vervelend, rechtlijnig. En André Beerenburgh triest en ontevreden.’
‘Waarom?’
‘Hij vond al die belangstelling maar niets. Hij had Juliette graag in z’n eentje begraven. Op een klein intiem kerkhof, zoals hij dat noemde.’
Vledder schudde het hoofd. ‘Een vreemde vent. Zou hij werkelijk zoveel van Juliette hebben gehouden?’
De Cock staarde voor zich uit. ‘De mantel der liefde,’ zei hij met een lichte ironie, ‘is een wijde cape. Het zou mij persoonlijk niets verbazen als hij haar in een moment van wilde bezetenheid had vermoord.’
‘Een crime passionnel.’
De Cock knikte. ‘Hij heeft ons verteld dat Juliette voor Krasnapolsky uit zijn wagen stapte en dat hij daarna rechtstreeks naar zijn huis aan de Sloterplas reed. Maar is dat waar? Er is niemand die zijn verhaal bevestigt. Wie zegt mij dat hij haar niet naliep, volgde tot in dat huis aan de Sint-Jansstraat? Een korte woordenwisseling… een wurggreep.’
Vledder keek hem getroffen aan. ‘Dat kan best,’ hijgde hij.
De Cock kauwde op zijn onderlip. ‘Maar verder kom ik niet. Begrijp je. Ik weet niet hoe ik hem moet inpassen, hoe ik hem moet plaatsen tegen de achtergrond van die beide andere moorden.’
‘Mevrouw Van der Wheere en de oude Henri.’
De Cock zuchtte diep. ‘Daar ontbreekt voor André Beerenburgh het motief.’
Een tijdje stonden de beide rechercheurs zwijgend naast elkaar, verzonken in gedachten.
‘Heb je de commissaris al gesproken? Hij liep vanmorgen woedend door het gebouw.’
De Cock knikte vaag. ‘Hij was niet zo blij met het krantenbericht.’
Vledder sloeg plotseling met zijn hand tegen zijn hoofd. ‘Margootje,’ stamelde hij onthutst.
‘Wie is Margootje?’
‘Ze zit binnen op je te wachten. Al minstens een halfuur. Ze wil een aanklacht indienen.’
De Cock trok een vies gezicht. ‘Een aanklacht?’
Vledder knikte. ‘Tegen de krant. Vanwege dat bericht.’
De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Het wordt geloof ik tijd dat ik een schietgebedje doe.’
De Cock bleef getroffen staan. Hij keek naar haar, lang, onverholen. Een bewonderende blik in zijn ogen. ‘U… eh… u bent mooi,’ zei hij met een ingehouden zucht. ‘Opwindend mooi.’ Hij hield zijn hoofd een beetje schuin, krulde zijn lippen in een speelse glimlach. ‘U wist dat zelf al?’
Ze toonde een rij kleine witte tandjes en dartele kuiltjes bij de mondhoeken. ‘Het is mij meer gezegd,’ antwoordde ze guitig. Het gezicht van de grijze speurder betrok. ‘Ik was er al bang voor,’ zei hij droevig.
Ze lachte vrijuit. ‘U bent rechercheur De Cock?’
‘Met ceeooceekaa.’
Ze lachte opnieuw. ‘Het is mij voorspeld dat u dat zou zeggen.’
De Cock maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Ik ben altijd maar bang dat men mijn naam verbastert.’ Hij wierp een steelse blik naar haar minirok, glipte haar voorbij en ging aan zijn bureau zitten. ‘U bent Margootje?’
Ze knikte. ‘Margootje van Stové.’
De Cock wees naar de krant op haar schoot. ‘U bent ontstemd?’
Er gleed een schaduw over haar gezicht. ‘Ja. Ik wil een aanklacht indienen. Ik vind dit verschrikkelijk.’ Ze vouwde de krant open. ‘Er staan hier vreselijke dingen over Jonathan.’
De Cock keek haar argwanend aan. ‘Wat voor vreselijke dingen?’ Ze slikte. ‘Er staat letterlijk dat de recherche er ernstig rekening mee houdt dat Jonathan zijn zuster Juliette en zijn oude moeder heeft vermoord.’
De Cock schonk haar een matte glimlach. ‘Het is voor de recherche zaak om met alles… eh… ernstig rekening te houden.’ Ze knikte begrijpend. ‘Maar het is te dwaas. Jonathan is niet zo. Hij zou nog geen vlieg kwaad kunnen doen, laat staan zijn eigen moeder en zuster doden.’ Ze sprak fel, geëmotioneerd. ‘U moet zich vergissen.’
‘Ik?’
‘Ja. U leidt toch het onderzoek? Van u is dat verzoek om opsporing.’
‘U bent goed op de hoogte.’
Ze liet haar hoofd iets zakken. ‘Ik ben vanmorgen op de krant geweest. Men heeft mij uitvoerig ingelicht en daarna naar u verwezen.’
De Cock schoof zijn kin iets naar voren. ‘Het klopt,’ zei hij wat scherper dan zijn bedoeling was. ‘Ik heb de opsporing van Jonathan van der Wheere verzocht. Op redelijke gronden. En als Jonathan meent dat mijn inzichten onjuist zijn, dan moet hij maar komen om mij dat duidelijk te maken.’
Er kwamen blosjes op haar wangen. ‘Het is ver beneden zijn waardigheid om op belachelijke beschuldigingen te reageren.’
De Cock boog zich naar haar toe. ‘Hoe weet u dat?’ vroeg hij scherp.
‘Ik ken hem.’
‘Intiem?’
‘Dat… eh… dat gaat u niets aan.’
‘Heeft hij u gestuurd?’
‘Nee.’
‘Waarom komt u dan?’
Ze had plotseling tranen in haar ogen. ‘Het is gemeen,’ snikte ze. ‘Het is puur gemeen. Jonathan heeft het niet gedaan. Hij heeft die moorden niet gepleegd. Zoiets doet Jonathan niet.’
De Cock keek haar wat schuins aan. ‘Dat klinkt naïef. Vindt u niet?’
Ze zuchtte diep, plukte een zakdoek uit haar tasje en droogde haar tranen. ‘Er moet toch iemand zijn, die voor hem opkomt,’ zei ze wat pruilerig. ‘Ik weet dat Jonathan een slechte naam heeft. Ik ken de roddels die over hem de ronde doen. Ik weet ook dat er heel veel vrouwen in zijn leven zijn geweest voordat…’ ze stokte, slikte iets weg, ‘voordat ik hem leerde kennen. Jonathan is een charmante man met een levensstijl waarom velen hem benijden.’
‘Een playboy.’
Ze reageerde fel. ‘Maar geen moordenaar.’
De Cock kwam uit zijn stoel overeind. ‘U gelooft in de onschuld van Jonathan?’
Ze keek omhoog en knikte.
‘Onvoorwaardelijk?’
‘Onvoorwaardelijk.’ De Cock gebaarde breed. ‘Zeg mij dan waar ik hem vinden kan.’
Ze boog het hoofd. Het lange, blonde haar gleed als een gordijn voor haar gezicht.
De Cock ging weer tegenover haar zitten. ‘Waar kan ik hem vinden?’ herhaalde hij.
Ze antwoordde niet. Ze begon weer te huilen. Haar smalle schouders schokten. Tranen drupten op haar knie.
De Cock keek een tijdje naar het ineengedoken fi guurtje op de stoel. In zijn hart groeide medelijden. Hij schoof iets naar haar toe, beroerde haar arm. ‘Als Jonathan onschuldig is,’ zei hij vriendelijk, ‘dan zal ik zijn onschuld bewijzen. Maar ik kan dat alleen met zijn hulp. Alle schijn is tegen hem. Begrijp je. Hoe langer hij zich schuilhoudt, hoe moeilijker het wordt.’
Ze richtte haar betraand gezicht naar hem op.
‘Ik weet het niet,’ zei ze zacht, bijna fl uisterend. ‘Ik weet niet waar Jonathan is.’
De Cock keek haar aan met een blik vol achterdocht. ‘Moet ik dat geloven?’
Ze knikte traag. ‘Ik heb hem al vier weken niet gezien.’ Ze pakte een doosje uit haar handtas en stak een sigaret op. Haar slanke vingers trilden.
‘Ik ben radeloos, meneer De Cock. Geloof me. Ik weet het niet meer. Ik weet niet meer wat ik moet doen. Ik ben overal geweest. Ik heb overal gezocht. Hij is weg.’
De Cock keek haar strak aan. ‘Een andere vrouw?’
Op haar gezicht kwam een pijnlijke trek. ‘Ik begrijp dat u zo denkt,’ zei ze bitter. ‘Het verleden van Jonathan geeft daar alle aanleiding toe. Ik neem het u ook niet kwalijk. Maar het is niet juist… dit keer niet. Jonathan en ik zouden trouwen.’
De Cock kneep zijn ogen halfdicht. ‘Trouwen?’ vroeg hij verbaasd. ‘Wanneer?’
‘Nog deze maand.’
‘Waar?’
‘In De Rijp, een lief stadje in Noord-Holland met een beeld van een stadhuis. We zijn er een keer langs gereden. Jonathan was er direct verliefd op. “Daar trouwen we,” zei hij. Een paar weken later hebben we ons laten inschrijven.’
‘Wie zijn op de hoogte van uw voorgenomen huwelijk?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Een paar vrienden, kennissen. We wilden het zo intiem mogelijk houden.’
‘En die vrienden weten ook niet waar Jonathan is?’
Ze schudde haar hoofd en zuchtte. ‘Ik begrijp best dat u het verdwijnen van Jonathan in verband brengt met de dood van Juliette en de oude mevrouw Van der Wheere. Als rechercheur moet u zo denken, geloof ik.’ Ze keek naar hem op. ‘U bent er absoluut van overtuigd dat Jonathan zich voor u schuilhoudt?’
De Cock knikte ernstig. ‘Als hij zich niet voor mij schuilhoudt, voor wie dan wel?’ Het klonk wat ironisch.
Er gleed een smartelijke trek over haar gezicht. ‘Niet voor mij, meneer De Cock, als u daar soms op zinspeelt… Jonathan en ik hielden van elkaar. Heel simpel en heel oprecht. Het was niet zomaar een fl irt, een kortstondige verliefdheid. We zouden trouwen, begrijpt u… tot de dood ons scheidt.’
De Cock knikte traag. ‘Sprak hij wel eens over zijn familie?’
‘Soms. Wanneer we alleen waren. Wanneer hij behoefte had aan een vertrouwelijk gesprek.’
‘En?’
Ze wreef een lok uit haar gezicht. ‘Na het overlijden van zijn vader is Jonathan sterk veranderd. Hij is niet meer zo vrolijk, zo opgewekt als vroeger. Soms is hij zelfs terneergeslagen. Somber. Ze hebben de oude man vermoord, zegt hij vaak. Ze wilden niet dat ik de zaak kreeg.’
‘Wie is ze?’
‘De kliek. Zo noemde hij dat. Ik heb altijd begrepen dat de kliek de hele familie Van der Wheere was, met uitzondering van Jonathan.’
De Cock glimlachte. ‘Hij is niet zo erg op zijn familie gesteld?’
‘Nee, helemaal niet. Hij had vooral een hekel aan zijn zwager André.’
‘André Beerenburgh?’
‘Ja. Hij kan hem wel schieten. Hij beweert dat André Juliette alleen maar heeft getrouwd om haar geld. Gelukkig had de oude Henri dat gauw door. Hij zette Juliette op een krap jaargeld en weigerde André Beerenburgh in de leiding van de onderneming op te nemen. Dat heeft André de oude Henri nooit vergeven.’
De Cock haalde achteloos zijn schouders op. ‘Ze zijn wettig gescheiden. André Beerenburgh had bij de dood van de oude geen enkel belang. Er bestonden geen offi ciële betrekkingen meer.’
Margootje van Stové keek hem scherp aan. De blik uit haar helblauwe ogen was koel, observerend. ‘U vergist zich. André Beerenburgh heeft een zoon.’