2

‘Juliette van der Wheere.’

De Cock trok rimpels in zijn voorhoofd. ‘Ju-1i-et-te-van-der-Whee-re,’ herhaalde hij langzaam. De klankenreeks echode in zijn herinnering. ‘Het komt mij bekend voor. Ik heb de naam meer gehoord.’

Vledder smeet hem het paspoort toe. ‘Een zekere Henri van der Wheere was een van de grote mannen van het immense C.I.H.-concern.’

‘Chemische Industrie Holland.’

‘Precies. Hij is een maand of vijf, zes geleden vrij onverwachts gestorven. De kranten stonden er destijds vol van.’

De Cock krabde zich achter in de nek. ‘Ja,’ zei hij traag, weifelend. ‘Er was nogal wat deining. Als ik me goed herinner, dan waren er zelfs bladen die suggereerden dat de oude Henri van der Wheere geen natuurlijke dood was gestorven.’ Hij keek peinzend naar Vledder. ‘Zou zij een dochter van hem zijn?’

De jonge rechercheur trok zijn schouders op. ‘Ik ken de relatie niet,’ zei hij onverschillig. ‘Ik heb me daar nooit in verdiept. Ik weet alleen dat de Van der Wheeres tot de rijkste families van het land behoren.’ Hij streek met zijn hand langs zijn neus. ‘Naar haar kleding te oordelen had ook onze Juliette wel een paar stuivers te verteren. De chinchilla bontmantel die zij aanhad, schat ik heel voorzichtig op een klein jaarsalaris. Ook de rest van haar kleren… allemaal duur spul. Je moet het maar eens bekijken.’

‘Dat zal ik straks even doen.’ De Cock nam het paspoort op en begon te bladeren. ‘Juliette van der Wheere was blijkbaar niet getrouwd. Er is geen naam van een echtgenoot vermeld.’

Vledder schudde het hoofd. ‘Stomme kerels,’ zei hij zacht grijnzend. ‘Ze is een mooigebouwde vrouw. Van een haast klassieke schoonheid.’ In zijn stem trilde bewondering. ‘Hoe oud was ze?’ ‘Even kijken. Ze is geboren in Wassenaar… bijna zevenentwintig jaar geleden. Volgens het paspoort was ze één meter achtenzestig lang, had ze blauwe ogen en lichtblond haar. Haar beroep was analiste en ze had haar domicilie in Amsterdam.’ De Cock gaf het document aan Vledder terug. ‘Laat morgen het fototje vergroten en vraag een stel afdrukken. Het lijkt me een vrij recente opname van het slachtoffer. Het is ook een betrekkelijk nieuw paspoort. Het werd pas vorige maand afgegeven. Er staan nog geen visa in, geen inof uitreisstempels.’ Hij zweeg even, streek met zijn hand langs zijn brede kin. ‘Zaten er nog andere papieren in haar handtas?’

Vledder wees naar het zijkamertje. ‘Ben Kreuger is er nog steeds mee bezig. Je weet hoe peuterig hij is.’

De Cock grinnikte. Op dat moment kwam de oude dactyloscoop de recherchekamer binnenstappen. Zijn bolrond gezicht zag rood van inspanning. Hij gooide het handtasje van Juliette ruw, onbeheerst op het bureau van De Cock. De zwarte lak zag grijs van de aluminiumpoeder. ‘Moet je meemaken!’ schreeuwde hij wild. ‘Er is niets, helemaal niets. Zelfs niet op de binnenklep.’

De Cock keek hem fronsend aan. ‘Ook geen vingerafdrukken van het slachtoffer? Die moeten er toch op staan.’

Kreuger schudde het hoofd. ‘Alles is weggeveegd, schoon weggeveegd. Er is geen lijntje, geen fragmentje meer te vinden. Je zult het niet geloven, maar zelfs het spiegeltje in haar make-up-tasje is schoongemaakt.’

‘Een zorgvuldige moordenaar.’

‘Dat kun je wel zeggen. De dader moet zich alle tijd hebben gegund. Er is hier duidelijk sprake van koel overleg.’

De Cock zuchtte. ‘Papieren?’

De dactyloscoop gebaarde in de richting van Vledder. ‘Haar paspoort heb ik al aan hem gegeven. Dan was er nog een lege enveloppe, zonder postzegel, zonder dagstempel, gericht aan mevrouw Juliette van der Wheere, Spiegelgracht 237 te Amsterdam. Afzender: Jonathan.’

‘Jonathan?’

Kreuger knikte. ‘Alleen Jonathan. Geen achternaam, geen adres. Ik wilde de enveloppe straks op het lab even boven de jodiumdampen[2] houden om te zien of er nog wat op zit. Anders kon je hem wel direct van mij krijgen. Ik stuur je in ieder geval een fotokopie voor het handschrift.’

Vledder kwam verwonderd tussenbeide. ‘Welke vrouw bewaart in haar handtas een lege enveloppe met alleen haar eigen adres?’ De Cock schoof zijn dikke onderlip naar voren. ‘Ik denk,’ zei hij voorzichtig, ‘dat die enveloppe niet leeg is geweest. Onze zeer zorgvuldige moordenaar zal de brief hebben weggenomen.’

‘Je bedoelt dat de brief belastend was?’

‘Het kan. Er zijn talloze redenen te bedenken waarom de brief werd weggenomen. Misschien leidde de inhoud wel direct naar de moordenaar.’

Vledder gebaarde wat ongeduldig voor zich uit. ‘Maar waarom nam hij dan alleen de brief en liet de enveloppe in de handtas?’ De Cock maakte een lichte schouderbeweging. ‘Het lijkt me nog te vroeg om daar al iets zinnigs over te zeggen. Je hebt gelijk, het is merkwaardig. Maar laten we ons voorlopig tot de feiten bepalen.’ Hij wendde zich weer tot Kreuger. ‘Was er nog geld?’

‘Zeker. Vrij veel zelfs. Zevenhonderdvijfentwintig gulden in een marokijnlederen damesportefeuille en nog wat pasmunt in een antiek kralen beursje. Je moet het geld straks op je gemak nog maar eens natellen. Verder is er nog een boekje met een paar betaalcheques van de Algemene Bank Nederland, een betaalpasje en een zogenaamde creditcard. Alles op naam van J. v.d. Wheere.’

‘Anders nog iets?’

‘Nee, de gebruikelijke spulletjes, niets bijzonders. Nog een paar sieraden, een gouden horloge, een ring met een briljant en een gouden armband.’

De Cock stond van zijn stoel op en begon door de recherchekamer te stappen. ‘We kunnen roof als motief voor de moord wel terzijde leggen,’ sprak hij nadenkend. ‘Het was de moordenaar blijkbaar niet om geld te doen.’

Kreuger liep naar de kapstok en pakte zijn jas. ‘Ik ga naar huis. Misschien kan ik nog een paar uur slapen.’ Hij keek De Cock grijnzend aan. ‘Moordenaars en hun motieven… dat is jouw werk. Ik ben blij dat ik mij daar niet mee bezig hoef te houden.’ Hij trok zijn jas aan en liep wuivend de kamer uit. ‘Mazzel, mijn vriend,’ riep hij vrolijk. ‘Je zult het nodig hebben.’

De Cock keek hem peinzend na. ‘Ik had dactyloscoop moeten worden,’ zei hij hardop.

De jonge Vledder kwam naast hem staan. ‘Ze gaan allemaal weg,’ zei hij wat wrang. ‘De dokter, de broeders, de fotograaf, de dactyloscoop. Voor hen is het afgelopen. Wij staan aan het begin.’

De Cock knikte traag. ‘En God weet waar we zullen eindigen.’ Het klonk niet profaan, maar ernstig, bijna mystiek. Hij draaide zich abrupt om en liep met grote stappen terug naar zijn bureau. Vledder slenterde achter hem aan, een denkrimpel in zijn voorhoofd.

‘Het is misschien gek, De Cock, maar weet je welke vraag bij mij opkwam, toen ik dat lijk daar onder die lantaarnpaal zag liggen?’

‘Nou?’

‘Wat doet zo’n knappe, chic geklede vrouw in die vieze Leidekkerssteeg?’

De Cock liet zich in zijn stoel zakken. ‘Ik denk,’ zei hij wat weifelend, ‘dat ze die Leidekkerssteeg nooit heeft gekend.’

‘Wat?’

De Cock schudde zijn hoofd. ‘Ze is er nooit geweest… in leven.’ Vledder keek hem niet-begrijpend aan. ‘Hoe bedoel je?’

Het gezicht van de oude rechercheur verstarde. ‘Juliette van der Wheere… ze stierf niet in die steeg. Ze werd er neergelegd.’

De mond van Vledder viel open. ‘Neergelegd?’ In zijn stem klonk ongeloof. ‘Waar haal je dat vandaan?’

De Cock glimlachte. ‘Een simpele vaststelling van feiten,’ zei hij halfschertsend. ‘En een goed inzicht. Geloof me, als je opmerkzaam was geweest, had je tot eenzelfde conclusie kunnen komen.’ Vledder trok een verongelijkt gezicht. ‘Wat voor feiten?’

De Cock boog zich iets naar voren, de beide ellebogen steunend op zijn bureau. ‘Ik maak je geen enkel verwijt,’ zei hij geruststellend. ‘Zeker niet. Ik had onmiddellijk, vanaf het eerste moment, het gevoel dat er iets niet klopte… dat de enscenering niet juist was. Ik heb me suf geprakkizeerd. En het heeft echt wel een tijdje geduurd, voordat ik begreep wat er verkeerd was.’ Hij grabbelde in een van de zijzakken van zijn colbert en stak een verfrommelde sigaret op. ‘Zie je,’ zei hij door een wolk van rook, ‘die opgetrokken knieën bevielen me niet. Dat paste niet in het beeld. Als iemand liggend op zijn rug sterft en er is ruimte, dan strekken de knieën zich. De spieren worden slap en alleen al door het gewicht komen de benen rechtuit te liggen.’ Hij zuchtte. ‘Juliette van de Wheere lag op haar rug, er was ruimte en haar knieën waren niet gestrekt. Toen de broeders haar lichaam op de brancard tilden, zag ik dat de knieën zelfs in die opgetrokken houding waren verstijfd. Lijkstijfheid treedt ongeveer een uur na de dood op en begint bij de kaak. Na drie tot zes uur is het hele lichaam verstijfd. Let wel… verstijfd in de houding waarin het lichaam zich bevindt.’

Vledder keek hem fronsend aan. ‘Je wilt dus zeggen,’ sprak hij nadenkend, ‘dat het lichaam van Juliette van der Wheere in de steeg is gekomen toen de lijkstijfheid al was voltooid.’

De Cock stak gebarend een vinger omhoog. ‘Heel goed. Conclusie: Juliette stierf niet in de Leidekkerssteeg. Ze werd er neergelegd en dat op een tijdstip, gelegen tussen drie en zes uur na haar dood. De lijkstijfheid had zich al voltooid… voltooid in een houding met opgetrokken knieën.’

De ogen van de jonge Vledder begonnen te schitteren. Hij klopte De Cock op zijn brede schouder. ‘Zittend,’ riep hij enthousiast. ‘Natuurlijk. Ze stierf, althans verstijfde in een zittende houding. En als ik mij de stand van de knieën herinner, dan was dat in een vrij lage stoel.’

De Cock keek naar hem op. ‘Ja,’ zei hij, ‘een diepe fauteuil of de achterbank van een auto.’

Een tijdlang zwegen beiden. Hun gedachten speelden met nieuwe perspectieven. Buiten in de Warmoesstraat lalde een dronken vent. Vledder was de eerste die het zwijgen verbrak. ‘Weet je, De Cock,’ zei hij somber, ‘er was er één die de Leidekkerssteeg wél kende… de moordenaar.’

De grijze speurder staarde voor zich uit. Het was alsof de laatste opmerking van zijn jonge collega hem ontging, alsof de woorden langs hem gleden in het niets, in een vacuüm zonder echo. Minuten gingen voorbij. Toen kwam De Cock in beweging, plotseling, versneld. Met zijn typische, wat waggelende gang beende hij naar de deur. ‘Pak haar sleutels,’ riep hij.

Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Welke sleutels?’

De Cock wees naar zijn bureau. ‘Uit haar tasje. We gaan naar de Spiegelgracht.’

Загрузка...