20

Ze reden terug naar Amsterdam. Rustiger. Vledder neuriede een oud schoollied. De Cock zat onderuitgezakt naast hem. Het hoedje half op zijn ogen.

‘Ik heb aan de kleine André Beerenburgh gezegd dat het zijn vader niet was.’

‘Nogal voorbarig.’

De Cock bromde. ‘Het kan mij geen barst schelen. Ik kon die jongen niet in onzekerheid laten. Denk je eens even in wat dat kereltje in zijn korte leven allemaal heeft meegemaakt. De scheiding van zijn ouders, de plotselinge dood van zijn moeder en nu dit. Het kon er naar mijn gevoel echt niet meer bij.’ Hij duwde zijn oude hoedje bruusk naar achteren en veranderde van toon. ‘En als het onverhoopt toch zijn eigen vader is geweest, dan ben ik persoonlijk bereid hem al zijn botten te breken.’

Vledder keek verrast opzij. Hij had zijn oude mentor nog nooit zo gehoord. ‘André Beerenburgh heeft een lichtblauwe Opel-sport.’

De Cock knikte. ‘Het heeft de jongen in de war gebracht.’ Hij kwam met een ruk overeind. ‘Hoe komt iemand op het idee,’ riep hij wild. ‘De aanslag heeft een bijna duivelse opzet. De dader kon verwachten dat de jongen vrijwel argeloos op de wagen zou toelopen.’

Vledder reageerde niet direct. ‘Hij moet aan een aantal voorwaarden voldoen.’

‘Voorwaarden?’

‘Ja. De dader wist dat de kleine André in Vught in een internaat zat, en hij wist dat de jongen vrijwel elke woensdagmiddag naar de IJzeren Man ging om te zwemmen. De aanslag heeft de nodige voorbereidingen gekost. Tijd en plaats zijn zorgvuldig gekozen.’ Vledder pauzeerde even. ‘Terwijl jij bij de kleine André was, ben ik in Vught even naar het politiebureau gereden. De opper was er nog. Hij had de situatie ter plaatse onderzocht en was bezig met tekeningen. Volgens hem mag het een wonder heten, dat de jongen er zo goed vanaf is gekomen. Hij vond het ook een onwaarschijnlijke zaak, dat de moordaanslag door de jongen zijn eigen vader werd uitgevoerd. Maar de feiten lieten hem geen andere keus. Hij moest ons wel verzoeken André Beerenburgh te arresteren.’

‘Dat begrijp ik. Hij kon moeilijk anders. Heb je gezegd dat we de uitvoering van het verzoek nog even willen opschorten?’ Vledder knikte. ‘De opperwachtmeester had er vrede mee. Hij wilde ons onderzoek naar de moorden niet doorkruisen. Hij vroeg zich alleen af… als het André Beerenburgh niet was… hoe kwam de dader dan aan zijn wagen?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Niemand heeft het nummer opgenomen. Het was een lichtblauwe Opel-sport met inklapbare koplampen. Een bijzondere wagen. Akkoord. Het kereltje liep er impulsief op af. Maar was het de wagen van André Beerenburgh? Ik geloof er niet in.’

Vledder keek hem van opzij aan. ‘Jij wilt er niet in geloven. Dat is het.’

De Cock knikte traag voor zich uit. ‘Misschien… misschien heeft het leed van de kleine jongen mijn inzichten vertroebeld.’ Hij aarzelde even, schoof zijn dikke onderlip vooruit. ‘Vraag toch morgen aan de importeur hoeveel van die lichtblauwe Opel-sportwagens er zijn ingevoerd en aan wie ze zijn verkocht. En dan nog wat.’

‘Ja?’

‘Bezorg me een foto van Jonathan van der Wheere.’

Robert Antoine van Dijk keek lodderig op, toen Vledder en De Cock de recherchekamer binnenstapten. Naast hem, nerveus rokend, zat André Beerenburgh. Hij sprong wild overeind en liep op De Cock toe.

‘Wat zijn dat voor manieren om mij hier de halve nacht vast te houden?’

‘Bent u gearresteerd?’

Achter zijn rug schudde Van Dijk het hoofd.

André Beerenburgh reageerde woedend. ‘Ik ben hierheen gelokt. Mij werd gevraagd vrijwillig medewerking te verlenen.’

De Cock haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Dan had u toch kunnen gaan?’ Hij glimlachte. ‘Maar ik ben bang dat mijn collega Van Dijk u dan heel formeel had gearresteerd.’

André Beerenburgh keek hem verward aan. ‘Gearresteerd?’

De Cock knikte. ‘Waarom heeft u mij nooit gezegd dat u een zoon had?’

‘U heeft mij er nooit naar gevraagd.’

De Cock grijnsde een beetje vals. ‘Wij hebben destijds uitgebreid over u en uw huwelijk met Juliette gesproken. Het lag toch voor de hand dat u mij had verteld dat uit die verbintenis een zoon was geboren.’

André Beerenburgh weifelde. ‘Ik… eh… ik vond dat geen belangrijk aspect.’

De Cock keek hem wat schuins aan. ‘Och kom… is een erfdeel van het fortuin van de Van der Wheeres geen belangrijk aspect? Door de moord op Juliette, vriend Beerenburgh, bent u als wettige vertegenwoordiger van uw minderjarige zoon in een belangrijke positie gemanoeuvreerd. Heeft u dat nooit beseft?’ De stem van De Cock droop van sarcasme. ‘Jaloezie was één… maar u had meer redenen om Juliette van der Wheere naar het leven te staan.’

André Beerenburgh likte aan zijn droge lippen. ‘Ik heb haar niet vermoord. Ik heb u dat meer gezegd.’

De Cock zuchtte omstandig. ‘U hebt dat meer gezegd,’ herhaalde hij traag. ‘Waar was u vanmiddag?’

‘Thuis, aan de Sloterplas.’

‘En uw wagen?’

‘Mijn wagen?’

‘Ja, de Opel-sport.’

André Beerenburgh keek hem niet-begrijpend aan. ‘Die heb ik vanmorgen naar de garage gebracht.’ Hij wees op Vledder. ‘Ik was hier vanmorgen om de eigendommen van Juliette op te halen. Van hier ben ik met de wagen naar de garage gereden. Ik ben met een andere wagen thuisgebracht.’

‘Is er iets met uw wagen?’

‘Hij moest worden doorgesmeerd en er was een kleinigheid aan de ontsteking. Ze zouden hem morgen weer voor mijn deur zetten.’


‘Hij heeft dus de hele middag in de garage gestaan?’

André Beerenburgh trok zijn schouders op. ‘Tenzij het personeel van de garage ermee is gaan rijden.’ Hij keek vragend naar De Cock. ‘Is er iets gebeurd?’

De Cock streek met zijn hand over zijn gezicht. ‘Vanmiddag,’ sprak hij langzaam, ‘is uw zoon in Vught aangereden.’ Hij stak bezwerend een hand op. ‘Het is niet ernstig. Gelukkig. Maar de wagen waarmee hij werd aangereden, was een lichtblauwe Opel-sport, een bijzondere wagen met inklapbare koplampen.’ André Beerenburgh zonk op een stoel neer. Zijn gezicht zag bleek. ‘Mijn jongen… aangereden? Wat heeft hij?’

De Cock schudde het hoofd. ‘Ik zei het u al… niets ernstigs. U moet hem morgenochtend in het internaat gaan opzoeken. Het zal de jongen goed doen. Hij verwacht u.’

André Beerenburgh kwam traag uit zijn stoel overeind. Op zijn gelaat lag een vreemde, bijna angstaanjagende uitdrukking. Hij keek De Cock met grote ogen aan. ‘En jij dacht… en jij dacht…’ Hij grinnikte vreugdeloos, dwaas. ‘Jij dacht dat ik mijn zoon… vent, je bent gek.’ Hij schreeuwde wild. Zijn stem sloeg over. ‘Je bent gek, weet je… stapelgek.’

De Cock gaf Van Dijk een wenk. ‘Breng meneer naar huis,’ zei hij loom.


De Cock trok een grimas tegen zijn eigen spiegelbeeld en trok zijn das recht. Hij had er weer zin in. Een goede nachtrust had de helse prikkeling uit zijn kuiten verdreven en zijn moede geest verkwikt. De loomheid was weg. In zijn aderen bruiste weer het tonicum van de strijdlust. Hij grapte tegen zijn vrouw, slurpte hoorbaar van zijn koffi e en ging zich uitgebreid te buiten aan toast met jam. Veel later dan zijn gewoonte was, stapte hij naar buiten en slenterde op zijn gemak naar de Warmoesstraat.

Op de tweede etage, in de recherchekamer, kwam Vledder hem stralend tegemoet. ‘Ze hebben die sportwagen gevonden,’ riep hij blij enthousiast. ‘Hij stond niet ver van het station in Den Bosch in een klein doodlopend straatje.’

‘Welke sportwagen?’

Vledder keek hem verward aan. ‘Die lichtblauwe Opel-sport, waarmee de aanslag in Vught is gepleegd. De wagen van André Beerenburgh is het niet. Ik heb dat nagetrokken. Het klopt wat hij ons gisteren zei. Zijn wagen heeft praktisch de hele dag in de garage gestaan.’

‘Akkoord,’ reageerde De Cock. ‘Maar waarom is het die wagen in Den Bosch wel?’

Vledder lachte wat geheimzinnig. ‘Het is een splinternieuwe. Er zat een handelaarskenteken op. Het nummer was opzettelijk met vuil besmeurd en van een afstandje vrijwel niet te ontcijferen. Ze hebben in Den Bosch de wagen dactyloscopisch onderzocht, maar geen fragmentje kunnen vinden. Begrijp je, net als bij Juliette en de oude vrouw.’

De Cock klemde zijn lippen op elkaar. ‘Onze zorgvuldige moordenaar.’

Vledder knikte instemmend. ‘Ik heb het handelaarsnummer onmiddellijk in Den Haag opgevraagd. Het kenteken bleek afgegeven aan een importeur in Utrecht.’

‘En die heb je gebeld?’

‘Ja. Men begreep direct over welke wagen het ging. Blijkbaar had kort tevoren de politie uit Den Bosch al gebeld. Na enig heen-en-weergepraat kreeg ik een zoetgevooisde verkoper aan de lijn, die mij vertele dat er gistermiddag, zo rond de klok van twaalf uur, een gentleman aan de zaak verscheen, die minzaam vroeg of er nog een lichtblauwe Opel-sportwagen in voorraad was.’

Vledder maakte een hoffelijk handgebaar. ‘Er was er nog één.’

De Cock trok grillige accolades rond zijn lippen. ‘En die wilde de gentleman onmiddellijk meenemen.’

‘Precies. Men had wat bezwaren. Het was niet gebruikelijk. De wagen was nog niet rijklaar. Er moest nog het een en ander aan gebeuren.’

‘Maar men zwichtte.’

Vledder boog vormelijk. ‘De wagen werd in allerijl in orde gebracht. De gentleman mocht wel een paar dagen op het handelaarsnummer rijden, maar een nieuw kenteken op naam van de eigenaar moest onmiddellijk worden aangevraagd. Bovendien diende een rekening te worden uitgeschreven.’

‘De gentleman gaf zijn naam.’

Vledder knikte met een ernstig gezicht. ‘Jonathan van der Wheere.’

Een tijdlang zwegen beiden. De Cock had het verlammende gevoel dat hij tegen een onneembare veste beukte, dat het hem nooit zou lukken zijn hand op de moordenaar te leggen. Toch moest het gebeuren. En snel. De man werd steeds driester.

Hij had uitgebreide maatregelen genomen om het leven van de jonge André Beerenburgh te beschermen. Maar hoe lang kon hij de veiligheid van het kind garanderen?

Vanmorgen, op weg naar het bureau, had hij het plan overwogen de kleine jongen als lokaas te gebruiken, maar hij had het idee als te riskant verworpen. Er moesten andere wegen zijn.

Hij keek naar Vledder. ‘Hoe is het met de herkenningsmogelijkheden?’

De rechercheur schudde triest het hoofd. ‘Net als bij de antiquair… vrijwel nihil. Jonathan van der Wheere droeg bij de importeur weer een donkere bril. De beschrijving stemt overeen.’

De Cock grijnsde. ‘Een gentleman.’

‘Een gentleman,’ herhaalde Vledder smalend. ‘Het gekke is dat alle mensen die hem kennen of die met hem in aanraking zijn geweest, hetzelfde woord gebruiken. We kunnen gerust aannemen dat hij een charmante man is, dat zijn verschijning indruk maakt, zowel op mannen als op vrouwen.’

De Cock knikte peinzend. ‘Heb je al een foto van hem?’

‘Van Dijk is ermee onderweg.’

‘Waar heeft hij hem vandaan?’

Vledder glimlachte. ‘Van Margootje van Stové.’

‘Liet ze hem binnen?’

‘Blijkbaar wel. Ik heb hem met de bontmantel weggestuurd. Hij belde net op. De mantel was niet van haar. Maar ze had wel een foto… op erewoord retour.’

‘Uiteraard.

Vledder keek hem onderzoekend aan. ‘Wat ben je met de foto van plan?’

De Cock schoof zijn kin naar voren. ‘Vanavond om kwart over acht na het nieuws, op de televisie. We kunnen echt niet langer wachten. Jonathan van der Wheere moet boven water komen.’

Загрузка...