16

De Cock liep bij Van Drunnen vandaan. De wat weke jongeman was hem niet sympathiek. Hij mocht hem niet. Het was een vooroordeel, waarvan hij zich bewust was en waaraan hij zich ergerde.

Met een korzelige uitdrukking op zijn gezicht stapte hij door de kamer, moeizaam trachtend met zichzelf tot een vergelijk te komen.

Hij vroeg zich af of Janus van Drunnen tot een moord in staat was. Lichamelijk zeker. Hij had de polsen van de jongeman gevoeld, de kracht gemeten, toen hij hem van zich af duwde. Maar geestelijk? Had hij de instelling, de moed, de aanleg om zijn handen om de hals van een oude vrouw te slaan? Het was een hypothetische vraag. De Cock wist het. Hij had tijdens zijn lange loopbaan bij de recherche een hele reeks moordenaars onder verhoor gehad. Van koele kille wurgers met sterke slanke vingers tot hypernerveuze schutters met een beverig pistool in de hand.

Het was nooit te voorzien. Wat maakt een man tot een moordenaar? Vroeger, toen hij nog jong was, had hij getracht een moord zakelijk en vooral verstandelijk te benaderen. Hoe ouder hij werd, hoe meer hij het ‘verstandelijke’ opzij schoof en zijn gevoel liet domineren. Gevoel… hij had er vroeger om geglimlacht, had het weggedrukt als een onbetrouwbaar irrationeel begrip, waarmee niet viel te werken.

De Cock bleef achter Janus van Drunnen staan. De jongeman lag voorover op zijn bureau, het zwarte hoofd steunend op beide armen. Zijn lichaam schokte.

‘Ze-was-al-dood.. ze-was-al-dood… ze…’

Hij herhaalde het nog steeds.

De Cock strekte zijn arm naar hem uit, tikte hem op de rug. ‘Ga rechtop zitten,’ gebood hij vriendelijk. Hij nam weer plaats achter zijn bureau en keek in het betraande gezicht. ‘Waar heb je haar gevonden?’

Van Drunnen zuchtte diep. ‘Boven, in haar slaapkamer.’

‘Op de grond?’

Hij schudde het hoofd. ‘Ze lag op haar bed.’

‘Hoe?’

‘Gekleed, achterover, op haar rug. Haar ogen open.’

‘Hoe wist je dat ze dood was?’

Er gleed een zenuwtrek langs zijn mond. ‘Ik… eh… ik sprak tegen haar. Ik zei: “Mevrouw Van der Wheere.” Eerst zacht, toen harder, steeds harder. Toen heb ik haar hand gepakt.’ Hij begon weer te snikken, gierend met lange uithalen. ‘Ze was al dood. Ik heb het niet gedaan. Gelooft u mij. Het was die inbreker.’

De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Inbreker?’

‘Er was ingebroken.’

‘Waar?’

‘Beneden in het zijkamertje. Ik ben door het gebroken raam naar binnen geklommen. Er lag glas. Buiten op het grind. Veel glas. Het hele raam was eruit. Ik wist niet wat er was gebeurd. Ik begreep het niet. Ik dacht…’ Van Drunnen sprak plotseling snel, geëmotioneerd.

De Cock stak zijn hand op, hield de woordenstroom tegen. ‘Rustig, Van Drunnen. Aan een chaotisch verhaal heb ik niets. Waarom ging je naar villa Jolanda?’

‘Mevrouw Van der Wheere had me ontboden.’

‘Hoe?’

‘Ze belde mij op, om even over half twee, kort na de middagpauze, en vroeg of ik wilde komen.’

‘Waarvoor?’

‘Dat weet ik niet. Ze wilde wat met me bespreken, zei ze.’

‘Moest je niets meenemen? Papieren, documenten, bescheiden van de zaak?’

Van Drunnen schudde het hoofd. ‘Daar heeft ze niets van gezegd. Het was een kort, snauwerig telefoontje, zoals ik dat van haar gewend was… zorg dat je om drie uur bij mij bent.’

‘Heb je er met iemand over gesproken?’

‘Mijn secretaresse. Ze moest andere afspraken voor mij afzeggen.

De Cock knikte begrijpend. ‘U ging met uw auto?’

‘Ja. Mijn eigen wagen. Als het verkeer niet te veel tegenzit, is het van kantoor ongeveer twintig minuten. Ik was ruimschoots op tijd. Misschien een minuut of vijf te vroeg. Ik zette mijn wagen voor het bordes, stapte uit en belde aan. Ik wachtte een tijdje. Er werd niet opengedaan. Ik vond dat vreemd. De oude mevrouw was altijd bijzonder punctueel. In de regel stond ze al achter de deur op mij te wachten. Ik keek op mijn horloge. Het was inmiddels al over drieën. Ik belde nog eens… en nog eens.’ Van Drunnen greep met beide handen naar zijn hoofd. ‘Ik had toen gewoon weg moeten gaan. Dan was er niets gebeurd. Dan had u mijn vingerafdrukken…’

De Cock onderbrak hem. ‘U ging niet weg.’

Van Drunnen schudde het hoofd. ‘Ik was ongerust. Echt, geloof me. Ik was wel niet zo erg op haar gesteld… niemand trouwens, maar ze was tenslotte een oud mens. Ik liep langs het huis naar achteren, naar de tuin. Daar was ze vaak. Ze hield van haar tuin. Maar achter was niemand. Ik voelde aan de tuindeur. Die was op slot. Ik ben toen langs de andere kant van het huis naar voren gelopen.’

‘En toen zag u het glas?’

Van Drunnen knikte. ‘Ik trapte erop.’

‘En toen?’

‘Ik keek waar het glas vandaan kwam en ontdekte dat de ruit van het zijraam bijna geheel uit zijn sponningen was genomen. Ik ben toen voorzichtig door dat raam naar binnen geklommen. Ik zag vrijwel onmiddellijk dat de inhoud van het kabinetje was doorzocht en ik begreep dat er een inbreker aan het werk was geweest. Ik bleef staan, luisterde intens. Ik hield er op dat moment ernstig rekening mee dat de inbreker nog in huis was. Ik hoorde echter niets. Ik ben toen steeds verder het huis ingegaan. Er was geen enkel verdacht geluid. Toen ik beneden alle vertrekken had doorgelopen, ben ik de trap op gegaan naar boven.’

‘En toen vond u haar?’

‘Dood.’ Van Drunnen zweeg, liet het hoofd zakken.

De Cock kuchte. ‘U moet verder gaan,’ zei hij scherp. ‘Dit is niet het einde van uw verhaal.’

Van Drunnen keek op, schudde het hoofd. ‘Nee,’ zei hij hees. ‘Dit is niet het einde.’ Hij krabde aan zijn voorhoofd. ‘Ik had, toen ik haar had gevonden, de politie moeten bellen.’

‘Waarom deed u het niet?’

Van Drunnen wreef met de rug van zijn hand langs zijn droge lippen. Zenuwgolfjes gleden over zijn wangen. ‘Waarom deed u het niet?’ herhaalde De Cock.

‘Het is een lange geschiedenis.’

‘Ik luister.’

Van Drunnen slikte. ‘Ik heb aan de oude Henri veel te danken,’ begon hij. ‘Dat moet ik vooropstellen. Ik denk ook niet met een kwaad hart aan de oude man terug. Integendeel. Zonder hem was ik vermoedelijk niet veel meer geworden dan een ondergeschikt boekhoudertje met veel capaciteiten… en weinig loon.’ Hij zuchtte. ‘En misschien zelfs dat niet.’

‘Gaat u verder.’

Er gleed een vermoeide glimlach over het gelaat van Van Drunnen.

‘Het is nu bijna tien jaar geleden. Ik was toen drie-, vierentwintig jaar. Ik had een administratief baantje bij de C.I.H. Niets bijzonders, maar ik werkte hard om vooruit te komen. ’s Avonds nam ik lessen in boekhouden. En ik studeerde vreemde talen.

Op een dag leerde ik Nanette kennen. Ik was direct verdoofd… een verliefdheid, zoals ik later nooit meer heb gekend. Ze tilde me compleet uit mijn schoenen. Het was ook een bijzonder mooi kind met een overdosering aan seks en…’ hij lachte wat cynisch, ‘een uitgebreid lijstje van verlangens.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Het kon mij toen niets schelen. Ik had alles voor haar gedaan. Desnoods de Nederlandsche Bank beroofd. Ik leefde gewoon van de ene ontmoeting naar de andere, dacht aan niets anders meer, verwaarloosde mijn werk, mijn lessen, en toen mijn geld op was… pleegde ik fraude.

Ik had in het administratieve systeem van de C.I.H. een gaatje ontdekt. En hoewel ik zelf geen cent kasgeld onder mijn beheer had, wist ik via dat gaatje in nog geen half jaar tijd meer dan dertigduizend gulden in mijn zakken te laten vloeien. Ik leefde als een vorst op een vulkaan.’

‘Tot de uitbarsting.’

Van Drunnen pauzeerde even, staarde voor zich uit. ‘Op een dag moest ik bij de oude Henri komen.’

‘En?’

‘Ik verwachtte een rechercheur. Ik had mij daar al helemaal op ingesteld. Maar die was er niet. De oude Henri was alleen. Hij bood mij vriendelijk een stoel aan en vertelde mij zonder enige emotie dat hij mijn fraudes had ontdekt. Hij zei zelfs dat hij er bewondering voor had en vroeg mij tal van bijzonderheden… hoe ik het had gedaan en waarom.

Toen ik was uitverteld, legde hij mij een verklaring voor, waarin stond dat ik mij ten nadele van C.I.H. aan verduistering had schuldig gemaakt. Ik heb die verklaring op zijn verzoek ondertekend.’

‘En de terugbetaling?’

Van Drunnen schudde het hoofd. ‘Over het geld zei hij niets. Geen woord. Hij pakte de telefoon en ontbood alle chefs en onderchefs in zijn kamer. Toen het hele gezelschap compleet was, stelde hij mij voor als de nieuwe procuratiehouder en hoofd van de administratieve afdeling.’

‘Wat?’ riep De Cock verbijsterd.

Van Drunnen knikte traag. ‘Zo jong als ik was… procuratiehouder en hoofd van de administratieve afdeling. Niemand begreep het. Ik het minst. Hij eiste slechts dat ik mijn verhouding met Nanette verbrak en mijn lessen hervatte. Meer niet. De schuldbekentenis bewaarde hij als een certifi caat, waarmee hij mijn loyaliteit kocht.’

De Cock keek hem ernstig aan. ‘Een certifi caat,’ herhaalde hij langzaam, ‘waarmee hij uw loyaliteit kocht?’

Van Drunnen knikte. ‘Zo noemde hij het. Het heeft al die jaren als een zwaard van Damocles boven mijn hoofd gehangen. Ik was geestelijk zijn gevangene. Hoewel hij er nooit rechtstreeks op zinspeelde, voelde ik toch bij ieder woord dat hij zei, de dreiging van die schuldbekentenis. Het heeft mij tot zijn slaaf gemaakt.

Ik heb later ook begrepen dat mijn plotselinge bevordering tot hoofd van de administratieve afdeling en het daaraan gekoppelde toezicht op alle geldzaken, geen wilde bevlieging van hem was, maar een weldoordacht besluit. De oude Henri en zijn vrouw huldigden namelijk het voor u en mij niet vleiende standpunt… met dieven vang je dieven.’

De Cock glimlachte. ‘Een merkwaardig stel.’

Van Drunnen keek hem aan. ‘Een merkwaardige familie. Geslepen, boosaardig, met een bijna feilloze intuïtie om mensen aan zich te binden. Ik… ik vond slaaf zijn van één meester genoeg.’

De Cock kneep zijn ogen halfdicht. ‘De schuldbekentenis.’

Van Drunnen knikte. ‘Precies. Na de dood van de oude Henri heb ik overal naar dat vervloekte certifi caat gezocht. Ik heb zijn bureau ondersteboven gekeerd. Ik heb al zijn papieren doorzocht. Ik heb het niet kunnen vinden. Er bleef toen maar één plaats over waar het zou kunnen zijn.’

De Cock schoof zijn dikke onderlip vooruit en knikte. ‘Het kabinetje in villa Jolanda.’

Van Drunnen zuchtte omstandig. ‘Het was een unieke kans. U moet dat begrijpen. Tien jaar is een lange tijd om onder druk te leven. Toen ik de oude mevrouw Van der Wheere boven dood in haar kamer zag liggen, realiseerde ik mij dat de twee mensen die mijn misstap uit het verleden kenden, waren overleden. Er was verder niemand die het wist. Wanneer ik de schuldbekentenis in het kabinetje zou laten liggen, zou zij na enige tijd onherroepelijk in handen komen van Jerome en Jonathan. Ik wilde niet opnieuw slaaf zijn.’

De Cock keek Van Drunnen aan. Zijn aanvankelijk vooroordeel was weggeëbd. Hij begreep de spanning waarin de jongeman al die jaren had geleefd.

‘Heb je het gevonden?’

Van Drunnen boog het hoofd. ‘Tussen oude brieven. Mijn vingers trilden toen ik het papier in handen had. Ik heb het kabinetje en alles wat ik dacht te hebben aangeraakt, met mijn zakdoek schoongeveegd. Toen ben ik weer door het raam naar buiten geklommen. In een soort roes reed ik met mijn wagen naar de Amstel. Daar heb ik de schuldbekentenis in honderden kleine stukjes gescheurd. Er waaide een zacht windje. Toen ik mijn hand opendeed, zweefden de snippers in slierten over het water weg.’ Hij glimlachte bij de herinnering. ‘Het was het mooiste moment van mijn leven.’

De Cock knikte vaag, vroeg niet verder. De verklaring van Janus van Drunnen leek hem redelijk. Hij besefte evenwel dat het een eenzijdige verklaring was, die door niemand werd bevestigd. Het kon zo zijn geweest. Het gaf antwoord op vele vragen, maar liet de belangrijkste vraag onbeantwoord: Wie doodde de oude vrouw? De Cock krabde zich achter in de nek. Onderwijl keek hij naar het gezicht van Van Drunnen. Onderzoekend, peinzend. Zijn blik gleed langs de gelaatstrekken. Opnieuw bezag hij de wat slappe mond, de bruine, enigszins vochtige ogen. Kon hij beide moorden hebben gepleegd? Die gedachte spookte door zijn hoofd. ‘U hield van Juliette?’

Er kwam een waakzame blik in de ogen van Van Drunnen. ‘We… we ontmoetten elkaar.’

De Cock schudde het hoofd. ‘Dat wist ik al en dat vroeg ik niet. Ik vroeg of u van haar hield?’

Van Drunnen zuchtte. ‘Juliette was een bijzondere vrouw, mooi, frivool, geestig en met een verbijsterend temperament.’

De Cock beluisterde de toon. ‘U hield niet van haar,’ concludeerde hij.

Van Drunnen reageerde niet direct, keek naar de nagels van zijn rechterhand. ‘Als u waarde aan het woord liefde hecht,’ zei hij weifelend, ‘was het geen liefde.’

De Cock knikte begrijpend. ‘Hoe maakte u uw afspraken?’

‘Ik schreef haar een briefje.’

‘En dat liet u bezorgen?’

‘Door een van mijn bedienden. Wanneer die ’s avonds van kantoor naar huis ging, deed hij de brief bij haar in de bus.’ ‘Spiegelgracht 237.’

‘Inderdaad. Daar woonde ze.’

De Cock trok de lade van zijn bureau open en nam daaruit de enveloppe die hij in het tasje van de dode Juliette had gevonden. Hij hield de enveloppe omhoog, de adreszijde naar Van Drunnen toe.

‘Kent u dit?’

Van Drunnen keek hem verbaasd aan. ‘Dat is mijn enveloppe… mijn handschrift.’

Het gezicht van De Cock verstarde. Hij draaide de enveloppe om, wees naar de afzender. ‘Hier staat Jonathan.’

Загрузка...