Vledder keek De Cock verwonderd aan. ‘Hoe weet je dat?’
‘Wat?’
‘Dat Juliette van der Wheere kort voor haar dood nog met André Beerenburgh dineerde. Hij heeft er met geen woord over gerept.’
De Cock draaide zich half om. ‘Ik vraag jou toch ook niet,’ zei hij verongelijkt, ‘hoe jij aan die gegevens over Henri van der Wheere en William O. Summerfi eld komt.’
Vledder wees naar de telefoon op zijn bureau. ‘Gewoon, links en rechts gebeld. Bovendien heb ik een vriend bij de Amerikaanse ambassade.’
De Cock glimlachte. ‘Het is van mij ook niet zo geheimzinnig,’ zei hij vriendelijk. ‘Toen wij gisteren van de Spiegelgracht wegreden, heb ik goed op de wagen van André Beerenburgh gelet. Het is een bijzondere wagen, een lichtblauwe Opel-sport met inklapbare koplampen. Ik nam het nummer op en vroeg via de telex wie die opvallende wagen ergens had gezien. Vanmorgen, voor ik naar de commissaris ging, meldde zich een hoofdagentmotorrijder. Hij had de wagen op het Tulpplein voor het Amstelhotel zien staan. Hij was zelfs even van zijn motor gestapt om, zo zei hij, het juweeltje beter te bekijken.’
Vledder glimlachte. ‘Een telefoontje met de gerant van het Amstelhotel,’ knikte hij begrijpend, ‘deed de rest. Ik wed dat je zelfs weet wat ze hebben gegeten.’
De Cock lachte luid. ‘Precies. Zelfs dat weet ik.’ Hij keek omhoog naar de grote klok van de recherchekamer. ‘Zorg dat je op tijd bent voor de sectie. Ik zou niet graag willen dat de oude dokter Rusteloos op je moest wachten.’ Hij liep naar de kapstok en wurmde zich in zijn regenjas. ‘Vraag of hij wat apart houdt voor een toxicologisch onderzoek.’
Vledder keek verbaasd op. ‘Ze werd gewurgd. Wat moet je met een toxicologisch onderzoek?’
‘Juliette was aan boord van de Julia toen de oude Henri stierf.
Zolang ik niet weet wat daar gebeurde, hoe en welk vergif er mogelijk werd gebruikt, neem ik het zekere voor het onzekere. Sommige vergiften verdwijnen maar langzaam uit het lichaam.’
Vledder kwam achter zijn bureau vandaan. ‘Er bestaan geen aanwijzingen dat ook de andere familieleden gif toegediend kregen.’
‘Nee. Maar er bestaan ook geen aanwijzingen dat het niet gebeurde. Denk aan Johan Peter Opperman. De matroos sprak over vergiftiging tijdens het diner. We weten niet of dat een veronderstelling was of een feit. De werking van vergif houdt sterk verband met de resistentie… met de weerstand en gevoeligheid van de persoon die het krijgt toegediend. De vraag is: Hoe gevoelig was de oude Henri?’
De Cock trok wat nonchalant zijn schouders op. ‘Het is helemaal niet denkbeeldig,’ ging hij verder, ‘dat Juliette en de andere leden van de familie een zelfde hoeveelheid vergif kregen, maar dat alleen de oude Henri eraan stierf.’
Vledder knikte met een ernstig gezicht. ‘De dader moet dan wel hebben geweten dat Henri van der Wheere tegen het vergif, dat hij of zij gebruikte, minder weerstand had dan de anderen.’
De Cock zuchtte. ‘Als de oude Henri het object was.’
‘Ik begrijp je niet.’
De Cock gebaarde. ‘We weten niet wie de dader wilde treffen. Het kan best zijn dat hij een ander lid, of misschien wel de hele familie wilde doden.’
Vledder keek naar hem op. ‘Hoe dan ook… je wilt de dood van de oude Henri in je onderzoek betrekken.’
De Cock zuchtte diep. Zijn hand gleed langs zijn brede kin. ‘Ik weet het nog niet,’ sprak hij aarzelend, ‘het is alles nog zo vaag, zo onzeker. Het verband is nog niet tastbaar. Maar volgens mij loopt er een duistere draad van die geheimzinnige avond aan boord van de Julia zes maanden geleden naar de dode Juliette in de vieze Leidekkerssteeg.’
Hij zweeg. Wat wijdbeens bleef hij staan, starend in het niets. Zijn lippen in een strakke lijn. Er kwam iets onverzettelijks over hem, een vaste wil om de raadsels rond de dood van de oude Henri op te lossen en de man te vinden die zijn wurgende handen om de slanke hals van Juliette sloot.
De harde lijnen in zijn gezicht ontspanden. ‘Doe de groeten aan dokter Rusteloos,’ zei hij beminnelijk. Hij pakte zijn hoedje en stapte de kamer uit.
Vledder liep hem na. ‘Waar ga je heen?’
De Cock draaide zich half om, een bijna ondeugende blik in zijn ogen. Om zijn mond dartelde een glimlach. ‘Naar Lowietje. Mijn droge keel dorst naar het fl uweel van een cognacje.’
Lowietje, ter aanduiding van zijn geringe borstomvang meestal Smalle Lowietje genoemd, trok zijn levendig muizensmoeltje in een vriendelijke plooi, staakte het glazenspoelen, veegde zijn vinger langs zijn morsig vest en stak de rechercheur spontaan een hand toe. ‘Welkom in mijn etablissement.’
De Cock hees zijn zwaar bovenlijf op een barkruk. ‘Ook goedemiddag,’ zei hij laconiek.
‘Hetzelfde recept?’ Zonder op antwoord te wachten dook de tengere caféhouder onder de tapkast en kwam weer boven met een fl es pure Franse cognac Napoléon, die hij met een haast devoot gebaar voor de rechercheur neerzette. ‘Nog van mijn oude voorraad,’ lispelde hij vergenoegd. Hij pakte twee bolle glazen en schonk in, statig, plechtig, als gold het een ceremonieel gebeuren.
Rechercheur De Cock keek vriendelijk glunderend toe. Hij hield van die momenten. En hoewel hij wist dat de smalle caféhouder een dief was, een heler, een man die in zijn leven vrijwel alles had gedaan wat God in zijn wijsheid had verboden… hield hij van Lowietje.
‘Proost.’ Hij nam het glas op, schommelde het in de hand en snoof de prikkelende geur van de cognac op. Voorzichtig nam hij een slokje. Zacht gleed het fl uwelen vocht langs zijn dorstige keel. Hij keek naar het glas en zette het met een teder gebaar op de tapkast terug.
‘Er zijn dingen,’ sprak hij fi losofi sch, ‘die het harde leven draaglijk maken.’
De Smalle lachte. ‘Is het druk op de kit?[5]’
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Misdaad kent geen malaise,’ zei hij ontwijkend.
Lowietje nam zijn glas nog eens op. ‘Heb je nog wat van doen met die dooie juffrouw in de Leidekkerssteeg?’
De Cock grinnikte. ‘Zij baart mij zorgen,’ zei hij spottend. De caféhouder keek hem aan. ‘Zonder dollen.’
De ernstige toon van Lowie ontging De Cock. Hij schoof zijn hoedje tot achter op zijn hoofd en nam een fl inke teug van zijn cognac. Het maakte hem vrolijk.
‘Ik dol nooit met dooie juffrouwen,’ zei hij hoofdschuddend. ‘Nooit.’
De Smalle legde een hand op zijn arm. ‘Weet je dat ze vaak hier in de buurt kwam?’
De jolige trek op het gezicht van De Cock vervaagde.
‘Hier in de buurt?’
Smalle Lowietje knikte.
‘Ik heb het al van verschillende kanten gehoord. Ouwe Brammetje, je weet wel, de muzikant, heeft haar in de steeg zien liggen.’
‘Wanneer?’
‘Nog voordat jullie van de politie er waren. Hij kwam hier het café binnen, wit van de schrik, en vroeg een pilsje. Toen vertelde hij wat hij had gezien. De meisjes dachten dat het een van hen was en vroegen hoe ze eruitzag. Toen gaf Brammetje een beschrijving. Een knap blond wijfi e… is het niet?’
‘Ja.’
‘Er waren direct al meisjes die wisten welk vrouwtje hij bedoelde.’
‘Was ze zo bekend?’
De caféhouder gebaarde voor zich uit. ‘Vrouwen vallen meer op dan mannen. De meisjes uit de buurt denken direct aan concurrentie.’
De Cock fronste zijn wenkbrauwen. ‘Zagen ze in haar een concurrente?’
De Smalle schudde het hoofd. ‘Zo moet je dat niet zien. Elke vrouw die in de buurt van de Walletjes komt, wordt door de meisjes van de buurt nu eenmaal kritisch bekeken.’
‘Als mogelijke concurrente.’
‘Precies. Dat is de feitelijke achtergrond. Ik heb tot nu echter van geen enkel meisje gehoord dat de vrouw wel eens klantjes meenam.’
‘Wat moest ze dan in de buurt?’
De caféhouder hief beide armen ten hemel. ‘Hoe weet ik dat? Ik heb haar niet gekend. Misschien had ze wel een of ander vriendje aan de hand, een snuitertje dat ze hier ergens in de buurt ontmoette. Dat is al meer vertoond.’
De Cock nam nog een slok van zijn cognac. Zijn hersenen werkten op volle toeren. Koortsachtig verwerkte hij de nieuwe ontwikkelingen.
Hij keek Lowietje schuins aan, peilend, onderzoekend. Hij wist hoe sentimenteel de smalle caféhouder was. Hij streek met zijn hand over zijn grijze haar. ‘Het was een mooie vrouw,’ zei hij dof. ‘Een heel mooie vrouw.’ Hij schudde droef het hoofd. ‘Ze knepen haar keel dicht. Niet omdat ze rot was. Niet omdat ze het verdiende.’ Hij wachtte even, legde een snik in zijn stem. ‘Zomaar. Misschien omdat ze wat wist… misschien ook omdat een of andere kerel haar zat was.’
Smalle Lowietje slikte. Zijn grote adamsappel danste op en neer. ‘Een kelere streek.’ Het kwam uit de grond van zijn hart. De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Zo is het, Lowie… een kelere streek. Ik zou hem ook graag willen hebben. Ik zou hem graag een paar armbandjes omdoen. Begrijp je? Al was het alleen maar, omdat je nooit weet of zo’n kerel het leuk vindt.’
Hij pauzeerde even voor het effect. ‘Doe me een plezier, wil je, Lowie? Gooi eens een balletje op onder de meisjes. Praat met ze. Misschien weten ze wat. Misschien hebben ze haar wel eens ergens zien binnengaan.’
Lowietje nam zijn glas op en dronk het in één teug leeg. ‘Je kunt op me rekenen, De Cock,’ zei hij ferm. ‘Zo gauw ik wat hoor…’ De grijze speurder glimlachte. ‘Goed, Lowie, schenk nog eens in.’
Nonchalant slenterde De Cock langs de antieke kruidenzaak van Jacob Hooy over de Nieuwmarkt naar de Geldersekade. Tegenover het beeld van de Spaanse Brabander glipte hij het koffi ehuis van tante Mia binnen. Hij kietelde de vette kin van de gezette eigenaresse en liep direct door naar achteren. Ouwe Brammetje zat in een hoek naast zijn accordeon. Voor zich op het tafeltje lagen dubbeltjes, kwartjes, centen, de oogst van een muzikale trektocht langs cafés. Hij schoof ze in rijtjes.
De muzikant keek gestoord op toen de grijze speurder op een stoel tegenover hem neerstreek. Op zijn gezicht lag een norse trek. ‘Heb ik je geroepen?’ bromde hij.
De Cock lachte met een scheve mond. ‘Ik kom als de dood,’ zei hij gemelijk. ‘Onaangediend.’
Ouwe Brammetje wuifde. ‘Ik heb liever dat je weggaat. Ik heb niet graag russen[6] om me heen. Ze stinken.’
De Cock snoof. ‘Geld niet,’ reageerde hij scherp.
Er kwam een sluwe blik in de ogen van de muzikant. ‘Wat bedoel je?’
‘Net wat ik zeg… geld stinkt niet. Al komt het uit het tasje van een dode vrouw.’
Ouwe Brammetje kwam met een ruk overeind. Het tafeltje schudde en enkele centen dansten over de vloer. ‘Je moet je bek houden,’ riep hij fel. ‘Je moet hier geen verhaaltjes vertellen. Gore smoesjes. Ik ben niet aan het tasje van die vrouw geweest. Ik niet.’
De Cock plooide zijn gezicht in ongeloof. ‘Jij niet?’ vroeg hij smalend.
‘Nee… stelen van een dooie…’ In de stem van de oude muzikant klonk afschuw: ‘Dat doe je niet, dat is… eh… dat is gewoon onzindelijk. Je bent aan het verkeerde adres.’ Hij sloeg zich fel op de borst. ‘Daar moet je mij niet voor hebben.’
‘Wie dan wel?’
Brammetje zwaaide met zijn arm. ‘Die vent.’
‘Welke vent?’
‘Die vent die de steeg uitliep.’
De Cock legde zijn hand op de schouder van de muzikant en drukte hem op de stoel terug. ‘Ga zitten,’ zei hij vriendelijk, ‘en vertel me precies hoe het ging.’
Ouwe Brammetje slikte een brok uit zijn keel. De snelle aanval van De Cock had hem van streek gemaakt. Hij veegde het kleingeld met een kromme hand naar zich toe. Zijn onderlip trilde. ‘Ik… eh… ik was in het café van Rooie Frits geweest,’ begon hij hakkelend. ‘Ik kom veel bij Rooie Frits om te spelen. Een of andere vent had me een paar pilsjes gegeven. Een stuk of vier. Toen ik buiten kwam, moest ik nodig pissen.’ Hij wees naar de accordeon naast zich op de grond. ‘Dat gaat wat moeilijk met zo’n kast voor je buik.’
De Cock knikte begrijpend. ‘Toen ben je in de steeg gaan pissen.’
‘Ja, dat mag toch? Dat doet iedereen.’
De Cock gebaarde wat ongeduldig. ‘Goed, goed. En toen?’
‘Nou, ik stond, denk ik, halverwege, toen ik plotseling in de knik van de steeg een vent zag. Hij stond voorovergebukt, begrijp je? Net alsof hij op straat wat aan het doen was.’
‘Ja. En verder?’
‘Na een paar seconden kwam hij overeind en keek in mijn richting. Toen hij mij zag, scheen hij te weifelen. Een moment dacht ik dat hij op mij af zou komen, maar hij draaide zich om en rende weg.’
‘Naar de Sint-Jansstraat?’
‘Ja, die kant op. Toen ik klaar was, ben ik eens gaan kijken. Ik was nieuwsgierig wat die vent daar had staan doen.’
‘En toen vond je die vrouw.’
Ouwe Bram knikte. ‘Bij een lantaarnpaal. Ze lag er wat raar bij. Ik keek in haar ogen en zag dat ze dood was.’ Hij zweeg even, keek met een open blik naar de rechercheur. ‘Maar aan haar tasje ben ik niet geweest.’
De Cock negeerde de opmerking. ‘Wat was het voor een vent?’
De muzikant trok zijn schouders op. ‘Een vent… een vrij lange vent… een jaar of vijfendertig, zou ik zo zeggen. Hij kan ook wat ouder of jonger zijn geweest.’ Hij maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Er is niet zoveel licht in de steeg. Ik stond er ook wat ongelukkig bij. Begrijp je? Nou niet direct zo, dat je alles om je heen op je gemak gaat bekijken.’
De Cock keek de oude onderzoekend aan, streek met zijn pink over de rug van zijn neus. ‘Weet je, Bram,’ zei hij ernstig, ‘ik geloof dat er helemaal geen vent is geweest. Jij vertelt mij dit verhaaltje, omdat ik zei dat jij geld uit haar tasje had gestolen.’ Het gezicht van de oude muzikant werd rood. ‘Ik heb niet gestolen,’ schreeuwde hij wild. ‘Ik-steel-niet-van-een-dooie.’
De Cock stond op en keek de oude hoofdschuddend aan. ‘Ik heb het ook nooit geloofd,’ zei hij raadselachtig. Hij pakte een gulden uit zijn zak en legde die op het tafeltje. ‘Voor de gevallen centen.’