Horsterzoomweg 191: een brok verwilderd bos, struikgewas, sparren, jonge kastanjes en hoge dennen. Tussen het geschakeerde groen schemerde een bakstenen gevel en fonkelde het wijnrood van geglazuurde dakpannen. De beide rechercheurs stapten voorzichtig naderbij. Het toegangspad was gedeeltelijk overwoekerd. Het grind was bemost en onder hun voeten kraakten dode takken.
Het huis zag er vriendelijk uit. Het had niet de traditionele bouw van een villa, maar leek meer op een Saksische boerderij, laag, met kleine ramen en een hoogoplopend dak. Ze liepen om de villa heen, traag, behoedzaam. Het huis was duidelijk verlaten. Alle deuren waren gesloten en voor de ramen hing vervuilde vitrage.
De Cock haalde zijn oude apparaatje te voorschijn en begon aan het slot van de achterdeur te morrelen.
‘Wat dacht je hier te vinden?’ vroeg Vledder.
‘Jonathan.’
‘Denk je dat hij zich hier schuilhoudt?’
De Cock keek naar hem op. ‘Ik weet niet,’ zei hij wat geheimzinnig, ‘of je van schuilhouden kunt spreken.’
‘Hoe bedoel je?’
De Cock antwoordde niet. Hij had het slot opengepeuterd en duwde de deur naar binnen. De roestige scharnieren piepten uit protest. De beide rechercheurs luisterden scherp. Toen er geen reactie kwam, stapten ze aarzelend naar binnen. Een muffe, bijna bedorven lucht walmde hun tegemoet.
De deur leidde naar een ruime bijkeuken. Er stond een roestig fi etsenrek en een ketel voor de centrale verwarming. Verder was er niets. Vanuit de bijkeuken trokken ze het huis in, oplettend, speurend, van het ene vertrek naar het andere. De Cock drukte waar mogelijk de ramen open en trok de halfvergane vitrage weg. Vledder gebaarde om zich heen. ‘Het lijkt er niet op dat hier kortgeleden iemand heeft gebivakkeerd,’ zei hij. ‘Alles is even vuil en stoffig. We hadden in ieder geval iets in de keuken moeten vinden. Lege blikken, pannen. Een mens moet toch eten? Ik heb ook in de wc’s gekeken. Overal ligt een dikke laag stof.’
De Cock grijnsde. ‘Doden eten niet.’
Vledder glimlachte. ‘Een macaber grapje,’ zei hij misprijzend. De Cock keek hem aan. ‘Het is niet als grapje bedoeld,’ zei hij grimmig. Hij draaide zich wat bruusk om en stapte vanuit een slaapkamer de lange gang in. Aan het eind schemerde licht door het geribde glas van de buitendeur. Vledder liep hem verward, niet-begrijpend na.
Halverwege de gang bleef De Cock plotseling staan en strekte zijn arm naar voren uit. ‘De gangvloer,’ zei hij hees. ‘Schoongemaakt.’
Vledder keek over zijn schouder. ‘Waar?’
‘Vooraan,’ hijgde De Cock. ‘Het is duidelijk te zien. Er ligt daar minder stof.’
Hij bukte zich tot laag bij de vloer en keek. ‘Als ik het goed zie, dan is het vanaf de laatste deur rechts tot het eind.’
Vledder bukte naast hem neer. ‘Je hebt gelijk. Het is vanaf de voorkamer. En daar zijn we nog niet geweest.’
Ze liepen voorzichtig verder de gang in. Bij de laatste deur rechts bleven ze staan. De Cock schopte. Langzaam waaierde de deur open. Ze keken in een ruim, rechthoekig vertrek. Het was er vrij donker. Door de kleine ramen drong slechts weinig daglicht binnen. De Cock liep naar de ramen en plukte de vitrage weg. Het scheelde aanmerkelijk. Hij liet zijn scherpe blik door de kamer dwalen. Op een grijs wollen kleed stonden drie fauteuils om een kleine ronde tafel. Alles was stoffi g, maar de laag was niet zo dik als in de overige vertrekken.
De Cock schuifelde verder de kamer in. Hij had bij een van de fauteuils in het vloerkleed een plek ontdekt die minder grijs was dan de rest. Hij liet zich op een knie zakken en onderzocht de plek zorgvuldig. Na een poosje kwam hij overeind en schudde het hoofd.
‘Ik ben bang,’ zei hij somber, ‘dat het niet meer te achterhalen is.’
‘Wat?’
‘Bloed… of wat het ook is geweest.’
Vledder trok rimpels in zijn voorhoofd. ‘Wat moet hier dan zijn gebeurd?’
De Cock gebaarde wat wrevelig. ‘Heb je ook alle kasten nagekeken?’
‘Ja.’
De Cock keek op zijn horloge. ‘Dan gaan we naar de tuin. We hebben nog tijd genoeg.’ Hij wees naar buiten. ‘Als je hier de weg helemaal afrijdt, dan kom je aan de Fokke Kortlanglaan. Zo heet dat. Ik heb daar in het voorbijgaan een gereedschapswinkel gezien. Haal daar twee spaden.’
‘Spaden?’
‘Ja, om te spitten.’
Vledder schudde het hoofd. Zijn gezicht zag rood. Om zijn lippen lag een verbeten trek. ‘Ik haal niets,’ zei hij fel, ‘niets voor je mij precies vertelt wat we hier aan het doen zijn.’
De Cock zuchtte. ‘Zoeken… zoeken naar een lijk.’
‘Een lijk?’
De Cock knikte. ‘Het lijk van Jonathan van der Wheere.’
Ze koersten met een matig gangetje over de Zuiderzeeweg naar Amsterdam. Op de linkerbaan zoefden snelle wagens voorbij. Rechts zakte een roodgloeiende zon statig achter de dijken van de Flevopolder.
De Cock zat achter het stuur. Hij keek bezorgd opzij naar Vledder.
De jonge rechercheur zag bleek. Zijn gezicht droeg nog de sporen van verbijstering en ontsteltenis.
‘Hoe voel je je?’
Vledder zuchtte. ‘Ik was even misselijk. Maar dat is al voorbij.’
‘Heb je gezegd dat ze het voorlopig uit de pers moeten houden?’
Vledder knikte. ‘Het is me beloofd,’ zei hij mat. ‘Ik had ook niet het idee dat de opperwachtmeester veel voor publiciteit voelde. Maar hij heeft natuurlijk niet alles in de hand.’
‘Waar is het lijk heen?’
‘Naar Utrecht. Op verzoek van dokter Rusteloos. Volgens hem was daar voldoende outillage voor een gerechtelijke sectie.’
‘Mooi. Dat is dan voor morgen.’
Vledder beet wat nerveus op zijn onderlip. ‘Hoe denk je dat Jonathan stierf?’
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Het is moeilijk te zeggen. Ik vermoed een dolksteek, gevolgd door een inwendige bloeding. Dokter Rusteloos zal het wel vinden.’
Vledder pakte een zakdoek en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Hij zag nog steeds bleek. ‘We zullen wel voor herkenning moeten zorgen,’ zei hij.
De Cock knikte. ‘Uiteraard. De identiteit moet offi cieel worden vastgesteld. Maar dat zal geen verrassingen opleveren. Er is weinig reden tot twijfel. Het is Jonathan van der Wheere. Zonder meer. Zijn portefeuille stak in zijn binnenzak. Er zaten nog al zijn papieren in en zijn geld. Alleen het paspoort ontbrak.’ Hij zuchtte. ‘En als we het helemaal zuiver willen stellen, vragen we in Parijs zijn vingerafdrukken op.’
‘Hoe lang denk je dat hij daar heeft gelegen?’
‘Een week of vier.’
Vledder keek naar hem op. ‘Vier weken?’ riep hij verbijsterd.
‘Zo ongeveer.’
Vledder slikte. ‘Maar dan kan hij nooit die moorden hebben gepleegd.’
De Cock keek opzij. ‘Dát,’ zei hij gelaten, ‘is een juiste conclusie.’
Ze stopten hun Volkswagen voor het immense kantoorgebouw van de Chemische Industrie Holland. Vledder keek omhoog. Op vrijwel alle etages brandde licht.
‘Een vijftal afdelingen pleegt overuren,’ legde De Cock uit. ‘Op de overige afdelingen is schoonmaakpersoneel aan het werk.’ ‘Weet je zeker dat hij er is?’
De Cock knikte traag. ‘Hij moet er zijn. Volgens mijn informaties heeft hij het gebouw nog niet verlaten. En dat klopt ook wel, want zijn wagen staat nog op de parkeerplaats.’
Ze stapten de marmeren hal binnen. Hun weg naar de liften werd gestuit door een autoritaire portier in een stemmig zwart uniform.
‘Waar moet dat heen?’ vroeg hij bits.
De Cock glimlachte minzaam. ‘Wij zijn controleurs,’ loog hij strak, ‘van het schoonmaakbedrijf. We komen even kijken. Er waren wat klachten van de directie.’
‘O,’ zei de portier.
De Cock lichtte zijn hoed en liep door. ‘Wij vinden het wel. Dank u.’
Ze stapten in de lift en gleden naar de derde etage. ‘Weet je waar we moeten zijn?’
‘Heel precies.’
Vledder keek hem gespannen aan. ‘Ben je hier meer geweest?’
De Cock schudde het hoofd. ‘Ik ben goed geïnformeerd. Dat is alles.’
Toen de deuren van de lift opensprongen, liepen ze over dikke tapijten en langs fraai verlichte bloembakken naar een imposante, met leer afgedekte deur.
De Cock aarzelde even, toen deed hij de deur open en stapte naar binnen. Vledder volgde.
Het vertrek was bijna zo groot als een zaal. Ver achterin stond een breed bureau. De weg erheen was lang en bood de man achter het bureau tijd voor observatie.
De Cock besefte dat en probeerde hem te misleiden. Hij schoof zijn oude hoedje zwierig achter op het hoofd en slenterde nonchalant, onverschillig naderbij. Het was een pose. De Cock wist dat elke vezel van zijn spieren was gespannen. De man voor hem was gevaarlijk, in zijn vertwijfeling tot alles in staat. Hij had vier mensen naar het leven gestaan. Drie van hen hadden zijn optreden met de dood moeten bekopen. Een vierde was ternauwernood aan zijn moordlust ontsnapt.
De Cock slenterde verder, overbrugde de afstand tussen hem en de man die de laatste dagen zijn denken en handelen had beheerst. Pal voor het bureau bleef hij staan, nam zijn hoedje van het hoofd en trok zijn gezicht in een ernstige plooi. Hij stak zijn hand naar voren. De man achter het bureau stond op en drukte de toegestoken hand. Het was een refl ex. De Cock keek hem strak aan, lette op elke reactie.
‘Ik… eh…,’ zei hij weifelend, ‘ik condoleer u met de dood van Jonathan.’
De Cock zag hoe de pupillen van de man vernauwden. Een zenuwtrek liep langs zijn wangen. De hand die hij vasthield, verkrampte, rukte om los te komen. Vanuit zijn ooghoeken zag hij Vledder om het bureau lopen. Eerst toen de jonge rechercheur de man voor hem in bedwang had, liet hij los.
Het gezicht van de man zag rood. Hij slikte. Zijn ogen fl ikkerden boosaardig. ‘Wat betekent dit?’ riep hij getergd.
De Cock zette zijn hoedje weer op. ‘Een arrestatie… meneer Jerome.’
Ze zaten bijeen in de gezellige zitkamer ten huize van De Cock, languit, genoeglijk, in luie fauteuils. De grijze speurder had Vledder en Van Dijk uitgenodigd om, zoals zij uitdrukkelijk hadden verlangd, opening van zaken te geven.
Mevrouw De Cock speelde de gastvrouw, opgewekt en met allure. Ze had met een weelde aan lekkernijen de avond naar een hoogtepunt gevoerd. De Cock schonk met gulle hand geurende cognac in diepbolle glazen. Hij was ijdel genoeg om zich in de bewondering en het ongeduld van zijn jonge collega’s te koesteren.
Van Dijk was de eerste die zich niet kon bedwingen. ‘Wat moet ik met die beroerde bontmantel?’ riep hij uit. ‘Het ding heeft mij nachtmerries bezorgd. Ik zal blij zijn als ik ervan verlost ben.’
De Cock glimlachte. ‘Je zult hem aan de eigenaresse moeten teruggeven.’
‘En wie is dat?’
‘De jonge mevrouw Van der Wheere.’
‘De vrouw van Jerome?’
De Cock knikte. ‘Ik denk niet dat ze hem nog zal willen dragen.’
Vledder schoof naar voren. ‘Hoe wist je dat het Jerome was?’ vroeg hij gejaagd. ‘Hoe wist je dat het lijk van Jonathan…’
De Cock stak afwerend een hand op. ‘Proef nog eens van je cognac,’ zei hij lachend, ‘dan zal ik het proberen uit te leggen.’ Hij nam zelf het glas op en schommelde het zachtjes heen en weer. ‘Wat mij…’ zo begon hij langzaam, ‘vrijwel vanaf het begin fascineerde… was het dualistisch gedrag van de moordenaar… een vreemde tweeslachtigheid, waarvoor ik aanvankelijk geen verklaring kon vinden. Dat klinkt misschien wat ingewikkeld, maar dat is het niet.’ Hij rook aan zijn cognac, nam een kleine teug en zette het glas weer neer.
‘Denk eens aan de eerste moord waarmee wij te maken kregen… de moord op Juliette. Het handtasje van het slachtoffer was zo zorgvuldig schoongemaakt, dat Ben Kreuger, onze brave dactyloscoop, de wanhoop nabij was. Van de moordenaar een daad van voorzorg om zijn eigen identiteit te verbergen. Prachtig. Maar diezelfde zorgvuldige moordenaar rukt volkomen onnodig Juliette een medaillon van de hals, stapt daarmee de volgende morgen al naar een antiquair en legitimeert zich bij de verkoop doodleuk met zijn eigen paspoort.’
Het was even stil. Vledder keek zijn oude leermeester bewonderend aan. ‘Je hebt gelijk,’ zei hij met een wat verlegen lachje. ‘Dat is volkomen met elkaar in strijd.’ Hij schudde het hoofd. ‘Stom… het is mij niet opgevallen.’
De Cock maakte een hulpeloos gebaar.
‘Eenzelfde tegenstrijdigheid vind je bij de aanslag op de kleine André Beerenburgh. De moordenaar besmeurt de nummerplaten van de lichtblauwe sportwagen met vet en vuil om herkenning te voorkomen. Voordat hij de wagen in Den Bosch achterlaat, veegt hij alle vingerafdrukken zorgvuldig weg. Maar op het moment dat hij de wagen in Utrecht koopt, geeft hij geen valse naam op… of iets van dien aard, maar zegt heel nuchter dat hij Jonathan van der Wheere is.’ De Cock pauzeerde even. ‘De conclusie,’ ging hij verder, ‘lag voor de hand… of Jonathan van der Wheere was een verwarde schizofreen… een gespleten persoonlijkheid, die vlagen van duivelse geslepenheid afwisselde met momenten van een bijna kinderlijke nonchalance… of hij was de moordenaar niet. En tot die laatste gedachte ging ik steeds meer overhellen.’
Vledder keek hem verbaasd aan. ‘Toch liet je mij per telex de opsporing van Jonathan verzoeken.’
De Cock knikte nadrukkelijk. ‘Wat moest ik?’ riep hij verontschuldigend. ‘Alle concrete aanwijzingen gingen in de richting van Jonathan van der Wheere. En met die concrete aanwijzingen had ik te maken. De rest was theorie. Bovendien was het zaak dat Jonathan zo snel mogelijk werd opgespoord.’
Van Dijk keek hem niet-begrijpend aan. ‘Waarom… hij was de moordenaar toch niet?’
De Cock gebaarde emotioneel. ‘Alleen Jonathan zou de valse aanwijzingen die er tegen hem waren, kunnen ontzenuwen en mogelijk een licht kunnen werpen op de ware moordenaar. Dat was ook de reden dat ik dat sensationele krantenbericht lanceerde.’
Vledder knikte. ‘Je wilde Jonathan dwingen tevoorschijn te komen.’
De Cock streek met zijn hand over het grijze haar. ‘Ik wist toen uiteraard nog niet dat ook Jonathan was vermoord.’
Er viel een diepe stilte. De gedachte aan het droeve lot van Jonathan beheerste hen allen.
De jonge Vledder boog zich naar voren. ‘Waardoor kreeg je het vermoeden dat hij niet meer in leven was?’
De Cock nipte aan zijn cognac. ‘Door de geringe reacties op het krantenbericht en vooral door het verhaal van Margootje van Stové. Zie je, alle personen die Jonathan van der Wheere kenden, schetsten hem als een charmant, vriendelijk en attent man. Ik kon mij eenvoudig niet voorstellen dat hij het vrouwtje — onder welke omstandigheden dan ook — vier weken lang in het onzekere zou laten. Ze was toch zijn aanstaande vrouw en, zoals later bleek… zwanger.’ Hij wreef over zijn gezicht. ‘Hoe vreemd het ook moge klinken,’ zei hij somber, ‘maar Margootjes zwangerschap heeft de dood van Jonathan verhaast.’
Mevrouw De Cock keek haar man vragend aan. ‘Waarom? Wat heeft dat ermee te maken?’
De rechercheur aarzelde even. ‘We komen zo aan het motief voor de moorden en daarvoor moeten we nog wat verder in de geschiedenis terug, namelijk naar de dood van de oude Henri.’
Van Dijk keek op. ‘Was het een moord?’ vroeg hij gespannen.
De Cock knikte. ‘De eerste in de reeks.’
‘Jerome?’
De Cock schudde het hoofd. ‘Niet Jerome.’
‘Wie dan?’
‘De oude mevrouw Van der Wheere.’
Vledder keek hem ongelovig aan. ‘Gaf zij hem vergif?’
De Cock schoof zijn onderlip vooruit. ‘Dat is te zeggen…’ Hij weifelde. ‘De oude Henri was morfi nist, een verslaafdheid overgehouden aan een behandeling voor galstenen. De oude dokter Van Gelderen verschafte morfi ne op recept. Aanvullingen werden door Jonathan verzorgd. De oude Henri gaf zich de injecties niet zelf, maar vertrouwde dit toe aan zijn vrouw. Wat ik nu verder zeg… is een vermoeden. Jerome, die inmiddels een volledige bekentenis heeft afgelegd, wilde over de daad van zijn moeder niet praten. Maar hij wist dat zij verantwoordelijk was voor de dood van zijn vader. En hij wist ook dat zij het had gedaan om hem, Jerome, een sleutelpositie in de C.I.H. te verschaffen.’
Mevrouw De Cock wuifde wat ongeduldig. ‘Hoe deed ze het?’ ‘Insuline.’
Het gezicht van Vledder verhelderde. ‘De ampullen in het medicijnkastje van villa Jolanda.’
Van Dijk trok zijn wenkbrauwen op. ‘Insuline is toch een medicijn?’
De Cock knikte traag. ‘Een heilzaam medicijn. Maar stelselmatig in een te grote dosis toegediend… een dodelijk vergif.’
‘Deed ze dat?’
‘Wat bedoel je?’
‘Gaf ze hem stelselmatig een te grote dosis insuline?’
De Cock staarde voor zich uit. ‘Het was niet zo eenvoudig. De oude Henri was geen diabeticus. Maar dat ze iets met insuline had gedaan, stond voor mij vast. Ik heb hier en daar eens geinformeerd. Om tot een letale… dodelijke dosis te komen heeft men vrij veel insuline nodig. Het leek mij niet waarschijnlijk dat het haar zou zijn gelukt de oude Henri zoveel in één keer toe te dienen. Bovendien zou de oude man dan rustig in een coma zijn gezakt en gestorven. Een leek — en dat was matroos Opperman — zou daarbij nooit op de gedachte van vergiftiging zijn gekomen. Pas toen ik van de morfi ne hoorde, begreep ik hoe ze het had gedaan. Ik ben er vrijwel van overtuigd dat ze de insuline met de morfi ne vermengde en dit mengsel toediende. De oude Henri zal daar aanvankelijk niet veel van hebben gemerkt. Alleen vroeg zijn lichaam steeds sneller om een nieuwe dosis morfine.’
Vledder knikte begrijpend. ‘Waardoor het haar mogelijk werd steeds meer insuline in te spuiten.’
‘Ja,’ zei De Cock nadenkend, ‘hij kreeg steeds meer vergif, terwijl hem de morfi ne, waarom zijn oude lichaam schreeuwde, werd onthouden. Het is volkomen begrijpelijk dat matroos Opperman aan een misdrijf dacht.’
‘Wat een serpent,’ riep mevrouw De Cock verontwaardigd.
De Cock glimlachte om de spontane reactie. ‘Je bent niet de enige die haar zo noemde. De oude mevrouw Van der Wheere was inderdaad de kwade genius van de familie. Een begaafde vrouw, bijzonder intelligent, maar… getuige de toch wel koelbloedige moord op haar echtgenoot… ook gewetenloos en sluw. Opmerkelijk is in dit verband haar eigen verzuchting, dat haar zoon Jerome het enige kind was dat op haar leek.’
Ze zwegen allen. De Cock nam de fl es op en schonk nog eens in. De gezichten om hem heen stonden ernstig.
Van Dijk snoof aan zijn cognac. ‘De rol van de oude mevrouw is mij nu wel duidelijk,’ zei hij ongeduldig. ‘Hoe ging het verder?’
De Cock liet zich weer in zijn fauteuil zakken. ‘Jonathan begreep aan boord van de Julia wat er was gebeurd. ‘Ze hebben de oude man vermoord,’ zei hij later. En aan het sterfbed bezwoer hij dat hij zijn vader zou wreken.’
Vledder glimlachte. ‘De eed op de Julia.’
De Cock haalde zijn schouders op. ‘Het was een theatraal gebaar… meer niet. Jonathan was niet het type van een wreker. Wel begreep hij dat hij het moordzuchtige duo — moeder en zoon Jerome — uit de weg moest gaan.’
Mevrouw De Cock schudde vertwijfeld het hoofd. ‘Waarom deed hij dat niet?’
De Cock glimlachte wat triest.
‘Margootje… en de villa. Jonathan wilde trouwen. De oude dame had er geen oren naar. Maar Jonathan maakte haar duidelijk dat ze kon doen wat ze wilde. Het was dit keer ernst. Margot was zwanger en hij was niet van plan haar in de steek te laten.’
‘En?’
‘Margootje en Jonathan gingen in ondertrouw. Het werd toen tijd dat er iets gebeurde. Onder het voorwendsel de villa te taxeren lokte Jerome zijn broer naar Ermelo.’
Vledder likte aan zijn lippen. ‘En daar stak hij hem neer en begroef zijn lichaam in de tuin achter het huis.’
De Cock streek met zijn hand langs zijn kin. ‘Toen is in hem het plan gerijpt zich van zijn hele familie te ontdoen. Door alle erfgenamen één voor één uit te schakelen zou hij onbeperkt alleenheerser van de C.I.H. worden. Hij zou zijn macht met niemand hoeven te delen. Het plan dat hij ontwierp, was even geniaal als simpel. Uitgaande van de eed op de Julia zou hij alle aanwijzingen leggen in de richting van Jonathan… een dode Jonathan… een zorgvuldig begraven Jonathan… naar wie de politie ten eeuwigen dage zou kunnen zoeken.’
Van Dijk grinnikte. ‘Als De Cock er niet was geweest.’
Deze stak beide armen omhoog. ‘Zonder Vledder,’ zei hij nadrukkelijk, ‘was ik er nooit gekomen. Hij heeft in deze zaak heel wat werk verzet.’
De jonge rechercheur boog wat stijfjes. ‘Dank je,’ zei hij lachend, ‘heel vriendelijk. Toch heb ik nog vragen. Werd Juliette in de Sint-Jansstraat vermoord?’
De Cock schudde het hoofd. ‘Jerome had haar naar de Sint-Jansstraat gelokt onder het mom dat Jonathan haar uitnodigde voor een bespreking. De overdracht van de oude villa in Ermelo zou geregeld moeten worden. Toen ze verscheen, zei hij dat het aanvankelijke plan was veranderd en dat de bespreking zou worden gehouden in zijn zomerhuis in Bergen. Juliette reed niets vermoedend met hem mee. In dat zomerhuis heeft hij haar gewurgd. Het plan was haar in de duinen te begraven. Later kwam dit hem toch niet goed voor. Om het spoor duidelijk naar Jonathan te legen wikkelde hij het lijk in een oude bontmantel van zijn vrouw en bracht het naar de Leidekkerssteeg. De bedoeling was de bontmantel mee terug te nemen.’
Van Dijk keek hem verbaasd aan. ‘Waarom deed hij dat niet?’
De Cock glimlachte. ‘Ouwe Brammetje moest pissen en kwam de steeg in.’
Vledder sloeg zijn handen voor het gezicht. ‘En Jerome vluchtte zonder mantel.’
De Cock zuchtte. ‘Nog meer vragen? Ik krijg zo langzamerhand een droge keel.’
Vledder stond op en schonk hem opnieuw in. ‘Je bent me nog een antwoord schuldig… Waarom reageerde de oude mevrouw Van der Wheere niet op de inbraak in haar huis?’
De Cock keek hem aan. ‘De inbraak was gefi ngeerd. Pas na de moord sloeg Jerome de ruit vanaf de binnenkant stuk. De oude dame kon dat niet meer horen.’
Vledder knikte begrijpend. ‘Ze was al dood,’ zei hij zacht.
Er werd niet meer gesproken. Het was alsof ieder voor zich de reeks moorden nog eens de revue liet passeren.
Na een poosje stond mevrouw De Cock op. ‘Ik ga nog een kop koffi e zetten,’ zei ze met een zucht. Ze liep naar de keuken. Na een paar minuten kwam ze met een ketel in haar hand in de kamer terug. Op haar gezicht lag een peinzende uitdrukking. ‘Toch is het gek,’ zei ze wat verward, ‘al die moorden… dat doet toch geen normaal mens?’
De Cock keek naar haar op. ‘Jerome was ook niet normaal,’ zei hij somber. ‘Hij is in zijn jonge jaren lange tijd in Ermelo in een psychiatrische inrichting verpleegd geweest. Ik kwam erachter toen ik mij afvroeg of Jonathan een geestelijk defect had. Niet Jonathan was schizofreen… maar Jerome.’